Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de winter in het land kwam, had hij geld genoeg bijeen om eene slede te koopen. Hij behoefde nu nog slechts twee paarden te huren, waarvan één reeds spoedig zijn eigendom werd. Naderhand werd ook het tweede aangekocht.

Eens op eenen avond stond Wanjka vóór het Mariatheater. Het vroor twintig graden. De sneeuw knerste onder de hoeven der paarden en schitterde in het licht der maan. Op het groote plein vóór den schouwburg waren vuren aangelegd, om welke de koetsiers der eigene rijtuigen en de isivoschtschiks zich warmden. De komedie was slechts een uur geleden begonnen; zij behoefden zich niet te haasten.

Wanjka vermeed gewoonlijk deze vuren. Zonder schuw van aard te zijn, wilde hij, daar hij spaarzaam was, geen geld uitgeven voor wodka en andere versnaperingen, en om geene aanleiding te geven tot vinnige op- en aanmerkingen welke te zijnen koste zouden worden gemaakt, hield hij zich liever op eenen afstand van de kameraden.

De politieagent, die de wacht had, had hem zijne plaats in de rij der huursleden aangewezen. Voordat hij eenen passagier kon krijgen, meende hij, konden er nog wel een paar uur verloopen, en hij vond dus niets beters te doen dan op het voor den passagier bestemde bankje van de slede zittende, het warme dek over zich heen te slaan en te slapen. Het paard, in gewone tijden donker van kleur, zag wit van den rijp, doch dommelde evenals zijn meester in.

De rust zou evenwel niet lang duren. Nauwelijks droomde Wanjka van huis, hoe het in zijn dorp toeging, of hij voelde een harden stomp tegen zijnen schouder.

,, Iswoschtschik !"

Waarheen? vroeg Wanjka.

Er werd zekere straat genoemd en tegelijkertijd eene vracht, die hij misschien zou hebben aangenomen in de dagen toen hij nog bij den ouden baas was en met de slechte knollen reed.

,,Ik rijd niet", zegt hij, doch meteen, terwijl zijn rustverstoorder zich verwijdert, bemerkt hij, wakker geworden, dat

Sluiten