Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te paard steeg om de reis te aanvaarden, was het nog twee uren vóór zonsopgang.

De nacht is in Perzië verre van stil. Terwijl in den namiddag, des zomers, geen blad beweegt en geen dier zich laat hooren, blaffen 's nachts de honden, krassen de uilen, piepen de krekels, balken de ezels, hinneken de paarden, kraaien de hanen en heerscht er veel meer leven bij het bleeke maanlicht dan bij helderen zonneschijn.

Dit geldt intusschen alleen voor de bewoonde plaatsen. Nauwelijks komt men in de vlakte, of alle gedruisch houdt op; de nachtwind is koel en verheft zich tegen het krieken van den morgen.

Als de hoogste toppen zich vergulden, beklimt men reeds den eersten bergpas. Langs eene vrij zachte glooiing gaat het naar boven. Van den top van dezen pas werpt men nog eenen blik op de vallei van Teheran, die in den morgennevel is gehuld. Daarna heeft men op eens eene geheel andere natuur vóór zich. Bergen van allerlei kleuren en zonder eenigen plantengroei omringen een nauw dal, waarin de Djadscheroed zich kronkelt. De weg naar beneden loopt over een steilen bergrug, die kunstmatig is afgeplat. Aan beide zijden van het smalle pad zijn diepe afgronden. Hoe verder men daalt, hoe steiler het pad wordt. Toch heet deze weg een „koninklijke" en inderdaad, betrekkelijkerwijze, is hij zoo slecht niet. Hij wordt althans eenigszins onderhouden, omdat de Shah vrij dikwijls hierlangs komt.

In de vallei van de Djadscheroed ligt een zomerverblijf van den grootvizier. Het is vóór eenige jaren gebouwd, en de boomen zijn reeds in hun vollen wasdom. Men zegt dat de vader van den tegenwoordigen grootvizier zijne hooge waardigheid vooral te danken had aan de volgende gebeurtenis. De Shah pleegt in de genoemde vallei dikwijls te jagen; de rivier is echter niet altijd te vertrouwen. Als het op de bergen zwaar regent, treedt zij niet zelden buiten hare oevers en overstroomt in een oogwenk het nauwe dal. Toen de Shah, nu jaren geleden, eens met zijn harem in

Sluiten