Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch is de voet van den Demavend nog tien kilometer van den Aftschepas verwijderd.

Aan de andere zijde van den pas loopt een weg naar beneden, eveneens zigzagsgewijze, eveneens rotsachtig en smal, doch minder steil dan aan den zuidelijken kant. Men daalt ongeveer 2000 voet.

Hierna is men in het dal van de Laar, dat in het eerst vrij breed is, doch uitloopt in een aantal enge valleien, waarvan er twee in noordoostelijke richting liggen.

Op weg van den voet van den berg naar den ingang dezer beide valleien, die ongeveer twee uren van elkaar liggen, vindt men de puinhoopen van twee steden. Bijzonderheden omtrent het tijdstip toen zij gebouwd, bewoond en verwoest werden, weet niemand.

De eene vallei draagt den naam van Siah pallas d. i. zwarte tenten, naar de kleur der enkele nomadententen, die er in den zomer worden opgeslagen. De andere is de eigenlijke vallei van de Laar.

Hier richten de Europeesche reizigers, welke deze streken bezoeken, hunne tenten op.

Door eene nauwe rotskloof komt men in het dal. De ruimte tusschen de bergruggen, die tot eene hoogte van 2000 voet boven de reeds 9000 voet hooge vallei aan beide zijden oprijzen, is een kilometer breed.

In het midden dier diepte kronkelt zich de snelvlietende Laar. Zij is een echte bergrivier, die hier en daar rapids vormt, en in wier wateren de forel huist.

De planten die hier groeien, zijn kameelgras in verschillende soorten, dat door de nomaden als brandstof wordt gebruikt; voorts lavendel, violette iris, thijm, immortellen ; op de meest onvruchtbare plaatsen vindt men nog de witte gipsbloem, vergeet-mij-niet, arrowoot, de affodil, gentiaan en eenige andere. Er is geen enkele boom, omdat niemand zich de moeite getroost van den aanplant. De bloeitijd der bloomen is er zeer kort; zij ontluiken in Juni, om twee maanden daarna te verdwijnen.

Sluiten