Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eier Biitsche Oost Indische Compagnie zich gevestigd te Canton voor den import van opium. Zij hadden de grofste beleedigingen te verduren van de zijde der Chineesche ambtenaren.

Genoemde compagnie, welke tot 1834 het monopolie van dien invoer bezat, verdroeg alles om de daaruit voortspruitende winsten niet te verliezen. Na gemeld jaar, toen dit privilegie ophield, kwamen eenige Engelsche partikuliere kooplieden, de zoogenaamde „freetraders" te Canton. Waar geen opium altijd tegen den wil van het Chineesch gouvernement — werd verkocht, daar werd het gesmokkeld. Eindelijk sloot de Chineesche douane-commissaris Lin de Engelsche kooplieden in hunne kantoren op, verplichtte hen twintigduizend kisten opium aan hem uit te leveren en liet

deze goederen tot eene waarde van ettelijke millioenen in zee werpen.

Daarop brak de oorlog met Engeland uit. De Britsche vloot legde de stad Canton als oorlogsschatting de verplichting op om 36 millioen schadevergoeding te betalen voor het opium, doch. ... de Britsche kooplieden betaalden die som aan Canton terug! Dit was een zedelijke ,,kotou" in den volsten zin van het woord.

Ook na 1842 leggen de Europeanen de grootste goedmoedigheid aan den dag tegenover de Chineezen. Waar het absoluut moet, wordt een tikje gegeven om, zoo spoedig mogelijk daaina, te trachten weder bij hen in de gunst te komen.

Indien Mr. Fredrick Bruce in i85g eindelijk een permanentBritsch gezantschap te Peking vestigt, dan is zulks aan het toeval te dankan, want ware de haven van Taku niet versperd geweest voor de vloot van admiraal Hope, de Engelsche vertegenwoordiger zou zich te Tientsin, niet te Peking hebben gevestigd. Baron Gros, de Fransche onderhandelaar, had verzocht, dat de gezant van den keizer der Franschen naar Peking mocht komen, „alleen in geval er belangrijke zaken te verhandelen waren, tenzij het voorrecht van permanente

vestiging te Peking ook aan andere natiën mocht worden vergund".

Sluiten