Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opleiding bijv. leeren paardrijden, wat niet met alle aspirantonderofficieren het geval is, terwijl ook de meer algemeene militaire wetenschap, die aan de aanstaande officieren, bijv. op het gebied van strategie, versterkingskunst, rechtswetenschap, enz. moet worden onderwezen, aan een gecentraliseerd onderwijsinstituut voor aanstaande officieren voordeden verschaft, die deze voor een onderofficiersschool niet of in veel minder mate zou opleveren.

Eindelijk zou het natuurlijk gevolg van een geheel gecentraliseerde opleiding zijn dat voor vele groepen aspirantonderofficieren meer aan de infahteTtPëxercitiën wordt gedaan, dan voor deze groepen noodig is te achten.

8 34. De voorstanders van een centrale school verklaarden zich voorshands bij het advies van wapensgewijze scholen te willen aansluiten, mits in dat advies op een centraal bestuur zou worden aangedrongen, dat over alle kaderscholen zal worden gesteld. Dit centraal gezag zal voor een wetenschappelijk leerplan en voor de eenheid van de opleidingen zorg moeten dragen. Naar de meening der Commissie zal het toezicht en de leiding der kaderscholen wellicht kunnen worden opgedragen aan den Inspecteur van het Militair Onderwijs, die voor het opmaken van het leerplan voor elk wapen zou kunnen samenwerken met den betrokken Inspecteur. De Commissie gaat in het hiernavolgende van de onderstelling uit dat alle kaderscholen onder den Inspecteur van het Militair Onderwijs zullen staan. Een minderheid ziet in het plaatsen der scholen onder den betrokken wapeninspecteur nochtans geen overwegend bezwaar. De scholen zijn gedacht als zelfstandige lichamen, die naar gelang van de grootte als een korps of een detachement moeten worden beschouwd en die dus als regel geheel los van de korpsen zullen zijn met welke zij in een zelfde garnizoen verkeeren. Aan het hoofd van de school waren de bevoegdheden toe te kennen van korpscommandant. Het volle onderhoud der leerlingen zal door den Staat moeten worden bekostigd. Gedurende het verblijf aan de school moeten aan de leerlingen geen jaarwedden doch uitsluitend een voldoend zakgeld worden toegekend. Evenals dit met de cadetten der Koninklijke Militaire Academie het geval is, zullen de aspiranten eerst na de voltooiing hunner opleiding en dus na hun benoeming tot sergeant, bij korpsen of inrichtingen van het leger moeten worden ingedeeld.

8 35. Zooals in § 139 nader wordt toegelicht, acht de Commissie het noodig voortaan in het algemeen de verlofssergeanten, den titel te geven van sergeant-aanvoerder.

Duur der opleiding, indeeling en leerplan.

§ 36. Voor alle wapens wordt een opleiding van drie jaren noodig geacht, die in beginsel als volgt zou moeten ingedeeld worden:

1H jaar eerste verblijf aan de kaderschool;

V% jaar practische dienst in den troep, en

1 jaar tweede verblijf aan de kaderschool.

8 37. Het wetenschappelijke onderwijs aan de kaderscholen zal voor alle scholen zich op een zelfde peil moeten bewegen en in het algemeen de strekking moeten hebben om de leerstof, die voor het toelatingsexamen gevorderd wordt, levendig te houden en te bevestigen.

Het onderricht in de vreemde talen zal voornamelijk gericht moeten blijven op het zich mondeling uitdrukken, waartoe aanschouwelijke conversatielessen worden aanbevolen.

Naar de mate als voorschreven, voor sommige vakken nader bepaald door de gevorderde overgangs- en eind-examens, zal, naar behoefte van het wapen, aan de kaderscholen onderwijs worden gegeven in:

Nederlandsche taal,

Aardrijkskunde,

Sluiten