Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 50. Het komt de Commissie aanbevelenswaardig voor, dat aan iederen candidaat als regel maar eenmaal de gelegenheid voor een opleiding en voor het afleggen van het examen zal worden gegeven. Alleen overmacht, als ziekte enz. of eene verklaring van het hoofd der kaderschool, waaruit blijkt, dat de aspirant, wat gedrag, aanleg en ijver aangaan, alleszins verdient, nogmaals eene opleiding te volgen, zou op dien regel een uitzondering moeten toelaten. De beperking in deze schijnt nuttig om te waarborgen, dat in het korps hoogere onderofficieren alleen zeer goede krachten zullen worden opgenomen, terwijl de beperking ook noodig is om de splitsing te kunnen voltrekken tusschen de sergeanten, die als zoodanig in den gewonen dienst kunnen blijven en hen die bestemd moeten worden voor de sedentaire betrekkingen. (Zie hiervoor Hoofdstuk III). Voor de bevordering tot sergeantmajoor-instructeur verdient een strenge lichamelijke keuring overweging.

§ 51. Het leerplan voor de opleiding zal moeten worden vastgesteld in verband met de bijzondere eischen die voor elk wapen voor den rang van sergeant-majoor-instructeur worden gesteld.

§ 52. Het komt de Commissie noodig voor dat van den sergeant-majoor-instructeur, naar gelang van het wapen, eene voldoende vaardigheid in de vakken van sport en lichamelijke ontwikkeling als daar zijn: schieten, schermen, zwemmen, paardrijden, schaatsenrijden, gymnastiek, athletiek, enz. zal worden gevorderd.

Het verkrijgen van een diploma of een radicaal in voormelde practische vakken ware niet aan een eigenlijk gezegde opleiding of aan een tijd te binden. Het verwerven daarvan zal kunnen worden overgelaten aan de personen zelf. Met het stellen van deze eischen worde er naar gestreefd, dat de hoogere instructeur in deze practische vakken in het algemeen minstens de evenknie zal zijn van zijn beste leerlingen.

Bepalingen omtrent den rang van adjudant-onderofficier-instructeur.

§ 53. Er wordt in beginsel mede ingestemd, dat de geschiktheid om tot adjudant-onderofficier-instructeur te worden bevorderd als tot dusverre uitsluitend worde beoordeeld uit de praktijk van den dienst. Wellicht dat groote aantallen candidaten in de toekomst de wenschelijkheid van een examen zullen naar voren brengen.

Waar de in Hoofdstuk III toegelichte afvloeiing naar de sedentaire betrekkingen ook voor de sergeant-majoors-instructeur een splitsing noodig maakt, moeten voor de bevordering tot adjudant-onderofficier-instructeur alleen de alleszins geschikte sergeant-majoors-instructeur in aanmerking komen.

§ 54. Wanneer op voorschreven wijze is zorg gedragen dat al het personeel in den rang van adjudant-onderofficier-instructeur, tot de zeer geschikten behoort, dan kan uit dezen rang de vereischte afvloeiing naar de sedentaire betrekkingen in hoofdzaak aan de persoonlijke wenschen der betrokkenen worden overgelaten. Bij meer aanvrage dan plaatsen zal de anciënniteit moeten beslissen. Men zal overigens aan alle adjudantonderofficieren-instructeur in deze gelijke rechten en gelijke kansen zooveel mogelijk moeten waarborgen.

§ 55. In de Commissie is het denkbeeld geopperd dat, met name bij de cavalerie het aantal adjudant-onderofficiereninstructeur kan worden uitgebreid onder gelijktijdige vermindering van het aantal luitenants. Dit zou zoowel voor de officieren als voor de onderofficieren de vooruitzichten op bevordering verbeteren.

Voorts beveelt de Commissie aan bij een eventueel te voorzien, langdurig incompleet in den luitenantsrang, ter vervanging

Sluiten