Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV. BEVORDERING.

Inleiding.

§ 78. Het stelsel van bevordering voor de onderofficieren, zoomede de bevorderingskansen zijn in de Commissie uitvoerig besproken.

De wenschen die in verband met dit onderwerp, door vele onderofficieren gekoesterd worden, vormen met de salarisregeling, waarover een advies uit te brengen niet tot onze taak -behoort, de belangrijkste punten voor de positie-regeling en hadden gedurig neiging op den voorgrond te komen.

Ook afgezien van het streven, dat ten deze bij de belanghebbenden bestaat, is er aanleiding voor het bevorderingsvraagstuk der onderofficieren zooveel mogelijk op te helderen.

Men moet zich er rekenschap van geven dat dit vraagstuk in de toekomst allicht nog meer moeilijkheden zal opleveren dan reeds nu. Wanneer n.1. ten gevolge van de hoogere intellectueele eischen van aanneming en de betere opleiding het gemiddeld verstandelijk peil der onderofficieren hooger zal zijn dan thans, moet men er van uitgaan, dat het onder het bereik van nagenoeg alle beroepssergeanten zal liggen om zich de kennis en allengs ook de bekwaamheden eigen te maken, die gevorderd worden voor de rangen van sergeantmajoor en adjudant-onderofficier.

§ 79. Er zal op moeten gerekend worden dat dan naar den maatstaf van thans, nagenoeg alle oudere sergeanten de geschiktheid zullen hebben voor een aanstelling tot sergeant-majoor.

Een tweede factor die in aanmerking komt is, dat de beurt voor een benoeming bepaald wordt door de anciënniteit.

Onder den invloed van die twee factoren moet de loop van de bevordering der sergeanten het beeld krijgen van een langzame opschuiving volgens ouderdom in rang.

Indien de verhoudingen tusschen de aantallen in de verschillende rangen en het verloop ongeveer hetzelfde zouden blijven, zou het tijdstip waarop gemiddeld de sergeant-majoorsrang bereikt wordt, in de toekomst later vallen dan thans het geval is.

Voor de bevordering tot adjudant-onderofficier geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Het nieuwe stelsel van aanneming en opleiding vordert derhalve een opzettelijk onderzoek van het bevorderingsvraagstuk.

Wenschen van belanghebbenden. Oorzaken van ongelijke bevorderingskansen.

§ 80. Het is vooraf noodig de wenschen en opvattingen der onderofficieren, zooals die door de bonden worden gepropageerd of zooals die ter kennis van onze Commissie zijn gekomen, afzonderlijk onder het oog te zien.

§ 81. Een telkens terugkeerende ervaring van ons onderzoek is geweest, dat voor de onderofficieren een positie of lotsbedeeling, die op zich zelf alleszins bevredigend zou moeten heeten, toch niet de volle bevrediging geeft, zoolang er verschillen kunnen worden aangewezen die tusschen de categorieën verge-

Sluiten