Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkenderwijze bestaan. Ongelijke vooruitzichten, vooral ongelijke bevorderingskansen., vormen bij de onderofficieren, die in het nadeel zijn, geregeld een element van onrust en een gevoel van verongelijking. Iedere categorie acht haar werkkring en dagtaak van bijzonder gewicht. Voor zoover die ingenomenheid tot verhoogde plichtsbetrachting en blijmoedige vervulling van de taak leidt, is het dienstbelang ongetwijfeld er mee gebaat; maar zij voedt de ontevredenheid, indien zij tot gevolg heeft dat er voortdurend met naijver en spijt naar de positie of de betere kansen van anderen wordt gekeken en de eisch wordt gesteld, dat men met zijn bevorderingskansen in de lijn der meest begunstigde groepen zal worden gebracht.

§ 82. De invoering van een gelijke betaling voor de rangen, ongeacht het wapen of de functiën waarin de militairen geplaatst zijn, schijnt bij de onderofficieren de meening te hebben gewekt, dat een goede regeling hunner positie in alle opzichten gelijkheid vordert. Het één sluit echter de nuttigheid en de mogelijkheid van het ander geenszins in. Het dienstbelang is, althans naar de meening der meerderheid, dikwijls met gelijke bevorderingen niet in overeenstemming te brengen. Voor de officieren is de kans om bevordering te maken voor de verschillende categorieën naar verhouding aanzienlijk meer uiteenloopend dan voor de onderofficieren.

§ 83. De verschillen in de promotiekansen bij de onderscheidene categorieën van onderofficieren hebben hun voornaamste oorzaak in de organisatiën.

Het navolgend overzicht geeft voor de grootste groepen percentgewijze den toestand weer

Organieke aantallen in percenten (December 1918).

Wapens. Sergeanten! cpr„P!lnt. I Adjudant- j

en oenjcaiu onder-

I fouriers. maloors- [ officieren. | ■» -

Infanterie . . 73.13 20.56 6.31 ') Conducteurs niet

Vesting-Art.. 68.37 22.49') 9.14') inbegrepen.

Cavalerie . . 73.35 17.33 9.32 2) Bovendien de hoofd-

Bereden-Art 66.23 22.80 10.97 opzichters en opzich-

Oenie . . 67.20 25.20 7.602) tere van fortificatiën.

Voor de kleinere groepen vindt men zeer uiteenloopende percentcijfers.

§ 84. De organieke verschillen die er tusschen de aantallen plaatsen voor de onderscheidene ondérofficiersrangen bestaan, zullen in hoofdzaak wel het dienstbelang, dat ter zake richtsnoer is geweest, weerspiegelen. Toch komt het de Commissie voor dat het zijn nut kan hebben voor deze cijfers in haar rapport de aandacht te vragen. Elke vermindering van de verschillen te dezen aanzien zou bij de onderofficieren voldoening geven.

De Commissie acht het gewenscht dat, waar mogelijk, tegen het bnnoodig uiteenloopen der verhoudingscijfers gewaakt worde. Overigens is het evenzeer nuttig en noodig dat in de onderofficierskringen een meer wetenschappelijk inzicht worde gekweekt in zake de eischen der legerorganisatie, voor wat betreft het mogelijke of wenschelijke van gelijke verhoudingen der aantallen van eiken rang in de verschillende greepen.

8 85 Voor zoover de Commissie bekend is, bestaan gelijke vooruitzichten op bevordering voor alle onderofficieren in geen enkel leger.

§ 86. Naast de verschillen die uit de voormelde percentcijfers voortvloeien, zijn er in de promotiekansen nog meer in het oog loopende verschillen, waarop in den boezem onzer Commissie herhaaldelijk is gewezen en die ook in de mondelinge

Sluiten