Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overwegend bezwaar te zullen zijn. Wat de termijnen van 12 en 20 jaren betreft is het resultaat voor de voorstanders van het stelsel bemoedigender, hoewel er toch doorloopend 168 adjudant-onderofficieren te veel zouden zijn. Wanneer de organisatiën met 2 sergeanten per eenheid zullen verminderd zijn en het aangenomen verloopscijfer zal blijken niet al te zeer van den waren toestand te verschillen zal het, mdien het stelsel in het algemeen voor het leger nuttig zou worden geacht, aanbeveling verdienen het nog afzonderlijk voor de verschillende wapens en groepen te toetsen. Voor de tegenwoordige rangsverhoudingen kan het stelsel niet worden aanbevolen. Het schijnt de Commissie toe dat aan de invoering steeds groote bezwaren zullen zijn verbonden. Alleen tegelijk met een reorganisatie van het leger, die aan alle kaderleden, die nog niet den hoogsten rang hebben, groote voordeden voor hun vooruitzichten op bevordering zou brengen, zou het stelsel zonder groote bezwaren kunnen worden ingevoerd. Wanneer men in de tegenwoordige toestanden tot de invoering besloot zou men termijnen moeten aannemen die voor vele belanghebbenden onvoordeelig zouden «in' want het zou uiteraard niet aangaan die perioden aan té nemen op den kortsten duur, die voor het bereiken der hoogere onderofficiersrangen voor het tegenwoordige bij het ten deze voorspoedigste wapen of dienstvak voorkomt Langdurig nawerkende overgangsregelingen zouden niet ontgaan kunnen worden. Het stelsel leent zich — het is nuttig daarop de aandacht te vestigen — ook bijzonder slecht voor proefnemingen. Elke proef zou aanstonds een categorie van bevoorrechten in het leven roepen; zij zou bij alle onderofficieren, die er bij betrokken zijn, verwachtingen wekken en illusien doen ontstaan, welke spoedig als verkregen rechten zouden worden aangemerkt. Het legerbestuur zou op een eenmaal aangevangen proef niet meer kunnen terugkomen dan met herstellingsmaatregelen, die aan de vele betrokkenen groote teleurstellingen zouden moeten brengen.

§ 99. Een minderheid acht het stelsel van automatischpenodieke bevordering zeer goed uitvoerbaar, indien de organisatorische verhoudingen van de aantallen sergeanten en hoogere onderofficieren en van de rangen dezer laatste ondermg, zouden worden ter zijde gezet. Dit is volgens deze leden zeer goed mogelijk; de uitkomst zal leeren dat men zonder aan de jongelieden die men wil werven, automatische bevordering in uitzicht te stellen en dus dit stelsel in te voeren niet tot een goed korps ónderofficieren komen kan. Daarom zal men in den kring, waarin deze zaak aldus wordt ingezien voor het stelsel van automatische bevordering blijven ijveren' Zij wees er voorts op dat de praktijk, zooals deze zich aan elk waarnemer voordoet, de uitkomsten van het onderzoek weerspreekt. De toestand is immers nu reeds zóó, dat men na gemiddeld 9 jaren dienst als onderofficier den sergeantmajoorsrang bereikt en dat de adjudant-onderofficier in dien rang komt na gemiddeld 18 jaren als onderofficier te hebben gediend.

§ 100. Naar de meening der Commissie wordt in die redeneenng vermoedelijk voorbijgezien, dat tengevolge van het stellen van hoogere eischen voor de aanneming minder onderotncieren voor bevordering buiten aanmerking zullen blijven. Daarbij komt dat de momenteele praktijk, voor wat de leeftijden betreft, waarop gemiddeld de rangen van sergeant-majoor en adjudant-onderofficier worden bereikt, niet geschikt is V?OT, maken van gevolgtrekkingen, omdat toevallige, invloedrijke factoren juist in de laatste jaren een overwegenden invloed hebben gehad. De langdurige mobilisatie gedurende welke er maar weinig onderofficieren zijn gepensionneerd kan aan de meening der minderheid ongetwijfeld steun geven Een andere factor heeft daarentegen grooten invloed in dé tegenovergestelde richting gehad. Bij de toelating tot de opleiding, die overigens volgens anciënniteit geregeld is, moest de

Sluiten