Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afwijkende meening eener minderheid.

§120. De leden von Schmid en Doorman, hoewel instemmende met de meeste der bijgebrachte argumenten en in het algemeen met de beteekenis, die daaraan is toegekend, kunnen zich met de voorstellen tot bevorderingen boven de formatiën niet vereenigen. Deze minderheid meent, dat te weinig overzien kan worden tot welke toestanden die voorstellen te eeniger tijd zullen kunnen leiden.

Tegen een tijdelijke uitbreiding der formatiën, als voor de officieren meermalen heeft plaats gehad, heeft de minderheid, indien en voor zoover de omstandigheden daartoe aanleiding geven, geen bezwaar. Haar bezwaar ten deze is in het niettijdelijke en in de niet-begrensde werking van de voorstellen gelegen.

§ 121. Het schijnt noodig er aandacht op te vestigen dat bij het onderzoek als uitgangspunt is genomen een korps onderofficieren dat minder sterk is dan het thans organieke korps en dat van dat korps meer personen in sedentaire functiën zijn ondersteld dan thans het geval is. Er zijn dus thans een aantal niet van bevordering uitgesloten onderofficieren meer in de sterkte, dan in de berekeningen, die aan het advies ten grondslag liggen, is aangenomen.

§ 122. De voorstellen zullen zoodra zij door het legerbestuur aanvaard zijn, door alle onderofficieren, die er nu of later voordeel van kunnen hebben, aanstonds als een verkregen recht worden beschouwd, waarop, welk legerstelsel in de toekomst ook zal worden aangenomen, voor hen bezwaarlijk zal kunnen worden terugkomen.

§ 123. De tegenwoordige salarisregeling gaat van het beginsel uit, dat voor de tractementen meer invloed moet worden toegekend aan den diensttijd dan aan den bekleeden rang. Met dat beginsel zou de voornaamste aanleiding worden weggenomen om bij een trage promotie tijdelijk van de organisatiën af te wijken. De betreffende bezoldigingsschalen toonen aan, dat voor de sergeanten met geschiktheid voor den rang van sergeant-majoor, nog nadat zij 16 en 18 jaren dienst als onderofficier zullen hebben, een hooger salaris is uitgetrokken. De sergeant-majoors krijgen wanneer zij 22 jaren dienst als onderofficier hebben, hun laatste salarisverhooging. Ook op deze gronden kunnen beide leden geen vrijheid vinden om aan het betreffend advies tot bevorderingen boven de formatiën, hun steun te geven.

§ 124. Er wordt mede ingestemd, dat de zekerheid van periodieke rangsverhoogingen de werving van aspirantonderofficieren waarschijnlijk in hooge mate zal begunstigen; maar de verzekerde mooie toekomst zal de zoo noodige' afvloeiingen tegenwerken. De aantallen die zich op grond van die zekerheid zullen aanmelden, moeten van huis uit als ernstige candidaten voor de hoogere onderofficiersrangen worden beschouwd. De minderheid meent te moeten verwachten, dat het vooruitzicht van na 22 jaren adjudantonderofficier te kunnen worden, bij verreweg de meeste sergeanten, altijd door, als prikkel zal werken om naar de opleidingen mee te dingen en zich voor het enkele daarvoor gevorderde examen duchtig te bekwamen. Wanneer dan zou blijken dat met de middelen, die de afvloeiing moeten bevorderen, het doel geheel of ten deele zal worden gemist, zal het niet kunnen uitblijven dat voor de betrekkingen van sergeant-majoor en adjudant-onderofficier het aantal geschikte candidaten onevenredig aangroeit. Men bedenke dat het in het nieuwe onderofficierskorps onder het bereik van de groote meerderheid zal liggen om zich voor de vereischte examens gereed te maken. Waar het vooruitzicht in die mate loonend is, zal dit zeker op veel grooter schaal geschieden, dan waarvoor in de organisatiën te zijner tijd een plaats is. Men zal dan een aangroeiend aantal overcomplete

Sluiten