Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten verduren van moreel zeer laag staande medeverpleegden.

De Commissie ondersteunt den wensch dat het recht op geneeskundige behandeling zoo mogelijk worde uitgebreid tot verlos- en tandheelkundige hulp.

Zij dringt er voorts krachtig op aan dat bij ziekten van gezinsleden van onderofficieren, wanneer de behandeling in het hospitaal moet plaats hebben, deze op een ander uur geschieden zal dan dat van het zoogenaamd ziekenrapport der militairen.

§ 144. De onderofficieren zouden het op prijs stellen indien de vrije geneeskundige behandeling ook zal worden uitgebreid tot hunne inwonende familieleden of dienstboden. Hierbij werd toegelicht, dat bij zwakte der echtgenoote of bij haar cH«6rliiden, de onderofficier genoodzaakt is iemand tot hulp in zijn gezin op te nemen. In een dergelijk geval kunnen de uitgaven voor geneeskundige hulp en verzorging zeer bezwarend zijn.

Inkwartiering.

§ 145. Over het algemeen wordt door de Commissie voorop gezet dat de eischen, welke bij inkwartieringen van troepen aan de burgerij kunnen worden gesteld, dikwijls beperkt worden door de beschikbare ruimte en de omstandigheden. Bij een geconcentreerde legering zullen door de militairen van welken rang ook, geen eischen mogen worden gesteld op grond van bepalingen, die voor de inkwartiering van enkele personen zijn vastgesteld.

Dit geldt in het bijzonder voor tijden waarin de inkwartiering krachtens een vordering (art. 33 Inkw. wet) plaats heeft.

§ 146. Voolr gewone tijden acht de Commissie het echter gewenscht, dat in het besluit tot uitvoering der inkwartieringswet eenig onderscheid worde gemaakt tusschen de verschillende militairen beneden den officiersrang en dat met name voor de onderofficieren, waaronder ook de muzikanten en allen die als onderofficier geklasseerd zullen zijn> blijke waarop zij boven het voor de manschappen bepaalde bij inkwartiering recht hebben. In verband daarmede zal aan kwartiergevers van onderofficierskwartieren normaal een overeenstemmend hooger vergoedingsbedrag moeten worden toegekend dan voor manschappen.

Beëediging.

§ 147. In de Commissie is de vraag gesteld of het niet aanbevelenswaardig is om den onderofficier in vasten dienst den eed of belofte als voor de officieren is voorgeschreven, te doen afleggen.

De meerderheid der Commissie acht verwezenlijking van dit denkbeeld van groot belang. De afgelegde eed zal een sterker band geven onderling en een grooter waarborg voor onderworpenheid aan de wetten des lands en de krijgstucht, wat vooral in troebele tijden van belang is, terwijl hij aan den onderofficier, als beëedigd staatsambtenaar, een prestige naar buiten zou geven, dat thans wordt gemist.

Een minderheid kan zich met het denkbeeld niet vereenigen. In een historisch betoog werd aangetoond dat ontelbare malen de beëedigde ambtenaren in de groote momenten der wereldgeschiedenis aan hun belofte ontrouw zijn geweest en dat, wanneer de eed, zooals zoo vaak geschiedde, als het er op aankomt, op groote schaal geschonden wordt, het veel verkieselijker is hem niet te doen afleggen.

Werd de eed voor de onderofficieren verplichtend gesteld, dan zou de minderheid dat eerbiedigen en er zich aan onderwerpen. Maar het ging hier om een advies over de vraag of de eedsaflegging door de overheid als instituut zal worden ingesteld. Daartoe moet de overheid niet anders dan uit

Sluiten