Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de hospitalen wellicht beter worden geregeld. Of de arbeid van de koks en de portiers zwaar, en in verband daarmede de arbeidsdag te lang is, kan door de Commissie niet genoeg beoordeeld worden.

Werkliedenpersoneel bij de korpsen.

§ 211. Onder de benaming „werklieden bij de korpsen" worden in het algemeen de ambachtslieden verstaan wier salaris geregeld is in tabel VII van de „Regeling van de bezoldiging enz. voor het Militair Personeel der Landmacht" evenwel met uitzondering van het personeel van de luchtvaartafdeeling.

Tal van hierbedoelde werklieden bij de korpsen hebben zich, hetzij als bestuurders van bonden, hetzij individueel met wenschen omtrent een verbetering hunner positie tot onze Commissie gewend.

In zake de gedragslijn die de Commissie hieromtrent moest volgen, openbaarde zich verschil van meening. Er werd op gewezen dat de samenstelling der Commissie met het behandelen van werklieden-vraagstukken blijkbaar geenerlei rekening houdt. Een minderheid meende, dat men er zich toe kon bepalen de schrifturen, die van de werklieden waren ingekomen ter kennis van het legerbestuur te brengen. De meerderheid beaamde dat vragen betreffende de arbeidsvoor waarden, werktijden, verdiensten, tarieven enz. niet in behandeling konden genomen worden; evenzeer dat buitengesloten zouden moeten blijven de bepalingen in de reglementen en voorschriften, die betrekking hebben op den dienst der werklieden en op de controle hunner prestatiën.

De Commissie was ten slotte eenstemmig van gevoelen dat een advies harerzijds betreffende de positie van de werklieden als militair nuttig zou kunnen zijn. En vermits een niet onbelangrijk deel dezer werklieden den rang van onderofficier heeft, moest zoodanig advies geacht worden binnen de grenzen van de taak der Commissie te liggen.

§ 212. Een minderheid geeft voorkeur aan eene positieregeling voor de schoen-, kleer- en zadelmakers, waarin deze gewone burgers zouden zijn, zooals dit een tijdlang vóór 1881 het geval is geweest. Ook voor de geweermakers zou met burgers kunnen worden volstaan. Met dit denkbeeld kan de meerderheid zich niet vereenigen. Zij acht het noodig dat de werklieden bij de korpsen, met name de schoenmakers, kleermakers, zadelmakers, timmerlieden, bankwerkers, geweermakers en hoefsmeden in het militair verband opgenomen blijven en aan de krijgswetten onderworpen zullen zijn.

Dit wordt noodig geacht om in vredestijd desvereischt met klem te kunnen optreden, opdat de reparatiën goed en met bekwamen spoed worden verricht en de troep niet langer dan onvermijdelijk van zijn uitrustingsstukken verstoken zal zijn; voorts om in een oorlogstoestand voldoenden waarborg te hebben, dat voor de alsdan gevorderde vele werkkrachten aanstonds een geoefende kern zal beschikbaar zijn.

§ 213. Ten aanzien van de titulatuur en de distinctieven komt het de Commissie voor dat de bestaande regeling voor verbetering vatbaar is.

In de wenschen, die uit de werklieden-groepen tot onze Commissie zijn gekomen, is geregeld sprake van een hoogeren rang. Nu eens wordt deze wensch in een plan tot reorganisatie zijdelings aangegeven, maar ook vaak rechtstreeks en als doel op zich zelf. Somwijlen geeft het den indruk dat de hoogere rangen vooropgezet zijn en dat om deze te motiveeren naar een organisatie en een hiërarchie gezocht is, waarin aan die hoogere rangen een plaats zou kunnen worden gegeven.

De Commissie is van meening dat in geen der groepen van werklieden bij de korpsen een hiërarchische betrekking tusschen hoogere en lagere werklieden noodig is.

Sluiten