Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schat, integendeel van bijzonder belang geacht wordt, zoo meent de Commissie toch, dat het geen aanbeveling verdient, voor de betrekking van kok bij een korps andere eischen te stellen, dan die in rechtstreeksch verband staan met de geschiktheid voor de uitoefening van het vak. Daargelaten of b.v. de beschavingsnorm, die van den onderofficier gevorderd wordt, bij de militaire koks wel veeltijds aanwezig zal zijn, wordt het niettemin onnoodig en ook ongewenscht geacht dien eisch aan de aspiranten-kok te stellen. Ook omdat als opleidingstijd voor militaire koks bij de korpsen, met een praktijk van enkele maanden, pleegt te worden volstaan, acht de Commissie de huidige regeling hunner militaire positie voldoende.

§ 237. Het denkbeeld om de functiën van menagemeester en kok in den persoon van den kok bijeen te brengen, wordt in geenen deele aanbevelenswaardig geacht.

Blijkens een veeljarige ervaring is er in de militaire keukens behoefte aan een streng toezicht. Sedert aan de koks den korporaalsrang is gegeven en dientengevolge de korporaalplanton in de keuken is vervallen, is diens toezicht tegen onregelmatigheden voornamelijk op den sergeant-menagemeester overgegaan. De dienst in de keuken en het toezicht daarop kunnen niet aan een zelfden persoon worden opgedragen. Het vereenigen van de functiën van menagemeester en kok is uit dien hoofde verwerpelijk.

Integendeel de menagemeester moet de meerdere zijn van den kok. Wanneer men aan den kok den sergeantsrang toekent, dan zal men de functie van menagemeester aan een sergeant-majoor dienen op te dragen. De functie van menagemeester wordt echter geen werk geacht voor vervulling door een sergeant-majoor.

Hoewel slechts zijdelings tot de taak der Commissie behoorende, wordt de aandacht gevestigd op de werktijden der koks, die althans volgens hunne mededeelingen wel eens zeer lang schijnen te zijn.

Een minderheid der Commissie zou er voorkeur aan geven indien, als koks bij de korpsen, burger-werklieden in militair verband, maar zonder uniform en zonder rang, werden in dienst genomen.

Sergeant-tamboer bij het Regiment Genietroepen.

§ 238. De sergeant-tamboer bij het Regiment Genietroepen met titulairen rang van sergeant-majoor heeft er de aandacht van de Commissie op gevestigd dat alle staf-hoornblazers en staf-tamboers van de regimenten vesting artillerie en infanterie den effectieven rang bekleeden van sergeantmajoor en dat de staf-tamboer van het Regiment Genietroepen slechts den sergeantsrang heeft. Dat zijn diensten tot tevredenheid hebben aanleiding gegeven is af te leiden uit den hem reeds sedert 1913 toegekenden titulahen rang van sergeant-majoor. Volgens zijn opgave heeft hij jaarlijks 25 k 30 tamboers af te richten, een aantal dat grooter is dan bij een bataljon infanterie voorkomt. Bij de salarisregeling rekent hij onder de sergeanten.

De Commissie meent dat er uit analogie aanleiding bestaat om in de functie van dezen onderofficier, evenals in die van al zijn collega's, een effectief sergeant-majoor te plaatsen en tot dat einde de organisatie van het Regiment Genietroepen te wijzigen.

Mag het rationeele van een gelijkstelling in deze van alle staf-tamboers en staf-hoornblazers bij de onbereden wapens worden vooropgezet en zou blijken dat hier onwillekeurige uitsluiting heeft plaats gehad, dan ware het naar het oordeel der Commissie billijk, dat aan den sergeant-majoor-titulairtamboer van het Regiment Genietroepen de rang van sergeantmajoor worde toegekend met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop bij de infanterie die rang voor den staf-tamboer is bereikbaar gesteld, en zulks uit overweging dat betrokkene blijkens zijn titulairen rang, reeds toen voor de bevordering als geschikt was aangemerkt.

Sluiten