Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE XV.

(Zie bladz. 90)

NOTA VAN DE LEDEN H. B. BERGHUYS en C. BLOKKER.

De ondergeteekenden, leden van de Commissie ingesteld bij Uwe Beschikking van 11 November 1918, IIIAfd. No. 97 tot regeling van de positie der onderofficieren, vermeenen ten aanzien van enkele aangelegenheden in het Verslag zich niet te mogen neerleggen bij het gerelateerde en daarvan door nadere omschrijving of verduidelijking bij afzonderlijk schrijven te moeten doen blijken.

Zij zijn van meening dat de functie van den onderofficier in het moderne leger een zoo belangrijke is dat voor hem een positie moet worden verzekerd, welke hem het aanzien geeft overeenkomstig het gewicht dezer functie.

Meer nog dan tot nu toe, zullen aan den onderofficieronderwijzer van de Nederlandsche jongelingschap hoogere eischen van intellect moeten worden gesteld.

Door de meerdere ontwikkeling van alle lagen der Maatschappij zullen de onderofficieren in aanraking komen met een groot aantal intellectueel goed onderlegde jongelieden.

De positie, het aanzien in de burgermaatschappij, moet mitsdien zoodanig zijn dat hij uit dien hoofde overwicht heeft over de aan zijn zorg toevertrouwde ondergeschikten.

Nu is in het Verslag der Commissie, door het stellen van hoogere eischen, reeds voor een deel aan het bovenstaande tegemoet gekomen.

Ondergeteekenden zijn intusschen van oordeel dat het stellen van hoogere eischen alleen, onvoldoende is om de positie achting en aanzien te geven.

Zoolang de bestaande titulatuur gehandhaafd blijft, zal het Nederlandsche volk, niettegenstaande de hoogere ontwikkeling en goede salarieering van de onderofficieren in het korps blijven zien den adjudant-onderofficier, sergeant-majoor en sergeant zooals zij die steeds hebben gekend, en, ten onrechte wellicht, niet dat respect schenken waarop het althans in de toekomst aanspraak behoort te maken.

Het is een feit dat die benamingen, meer in het bijzonder die van sergeant, een weinig gunstigen klank hebben en naar het oordeel van een groot deel onzer niet-militaire bevolking, den dragers als lager staand personeel stempelen.

Zonder in beschouwingen te treden over de oorzaken van deze weinig sympathieke houding van ons Nederlandsche volk, wordt hier slechts het feit geconstateerd.

Om nu te voorkomen dat ook voor den vervolge onze beter opgeleide en gevormde onderofficieren, dit als een nadeel zullen blijven voelen, wordt voorgesteld met de tot nu toe bestaande rangsonderscheidingen radicaal te breken, en hun een benaming te geven overeenkomstig hun werkkring met klasse-indeeling.

Handhaving van de bestaande rangsonderscheidingen zal een belemmering blijken te zijn tot verkrijging van de gewenschte stof.

Ondergeteekenden stellen mitsdien voor de onderofficieren voortaan aan te stellen in de rangen van

Instructeur 3e, 2e en le klasse,

Administrateur 3e, 2e en le klasse, respectievelijk voor den

Sergeant, sergeant-majoor en adjudant-onderofficier, instructeur, fourier, sergeant-majoor-administrateur, en adjudantonderofficier-administrateur.

De maatregel zou niet tot hoogere kosten voor het Rijk leiden, omdat de onderofficieren hun kleeding zelf betalen.

Volgens het voorstel van de Commissie, zal de aanstelling alsmede het ontslag, in den vervolge geschieden door den Minister van Oorlog.

Waar de aanstelling tot onderofficier wordt voorgesteld te doen geschieden door den Minister, vermeenen ondergeteekenden de bevorderingen tot hoogere rangen niet aan een lagere autoriteit te mogen doen opdragen.

Sluiten