Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillenden ontwikkelingsgang van diverse bedrijven, te veel bezwaren zou meebrengen. Niettemin bereikten haar klachten, waaruit bleek, dat de opvattingen van den fiscus op dit punt soms te beperkt zijn. Met name meent de Commissie te moeten opkomen tegen de opvatting van het normaal accres, zooals die neergelegd is in de Min. Res. van 21 November 1917 No. 119 (zie bijlage I). Het komt haar voor, dat deze opvatting niet in overeenstemming is met de toezeggingen door den Minister van Financiën omtrent het normaal accres gedaan bij de mondelinge behandeling van het wetsontwerp betreffende de oorlogswinstbelasting. De uitlatingen van den Minister duidden er op, dat het normaal accres niet op bekrompen wijze zou worden opgevat. Dit nu geschiedt naar de meening der Commissie wèl in genoemde resolutie; immers, daarin worden aan het begrip „normaal accres" twee beperkingen gesteld. In de eerste plaats, dat het inkomen of de winst regelmatig d.w.z. ieder jaar met ongeveer gelijk bedrag vermeerdert en in de tweede plaats, dat de oorzaak der vermeerdering geenerlei verband mag houden met den oorlogstoestand, ook al is door den oorlog de oorzaak van accres, die vroeger bestond, weggevallen.

Wat het eerste punt betreft, is de Commissie van oordeel, dat het meer aanbeveling verdient het normaal accres te berekenen naar den gemiddelden vooruitgang gedurende de laatste 5 a 10 jaren vóór den oorlog, ook al is de vermeerdering het eene jaar wat grooter dan het andere, dan vast te houden aan den eisch, dat die vermeerdering ieder jaar ongeveer gelijk moet zijn geweest, iets wat zich uit den aard der zaak in de praktijk zoo goed als nooit zal hebben voorgedaan.

Wat de tweede beperking betreft, spreekt de Commissie als hare opinie uit, dat de toepassing van het beginsel van het normaal accres behoort te leiden tot het vinden van een cijfer voor inkomen of winst, dat ook behaald zou zijn, indien ér geen oorlog geweest was. Is derhalve de oorzaak voor de uitbreiding van een bedrijf door den oorlog verdwenen of verminderd, maar is daarvoor in de plaats of daarnaast eene andere oorzaak gekomen, die wèl verband houdt met den oorlogstoestand, zoodat per slot van rekening hetzelfde inkomen of dezelfde winst behaald wordt als indien er geen oorlog geweest was, dan behoort van het heffen van oorlogswinstbelasting geen sprake te zijn. Houdt men echter vast aan de opvatting, dat de oorzaak van de uitbreiding geenerlei invloed van den oorlogstoestand mag ondervinden, dan zal in de praktijk van het normaal accres niet veel overblijven. Immers, door den langen duur van den oorlog is het zoo goed als onmogelijk geworden eenige transactie aan te wijzen, die ook geschied zou zijn, als er geen oorlog geweest was, laat staan, dat men in een bepaald geval aannemelijk zou kunnen maken, dat b.v. aan dezelfde soort afnemers hetzelfde aantal artikelen tegen denzelfden prijs verkocht zouden zijn, indien de vrede behouden gebleven ware.

Teneinde tot eene billijke toepassing van de wet te komen ware het wenschelijk, dat aan de uitvoerende ambtenaren instructie werd gegeven bij het vaststellen van de aanslagen in de O. W.-belasting het normaal accres overeenkomstig de ruimere opvatting, die bij de samenstelling van de wet heeft voorgezeten in rekening te brengen en dat derhalve alsnog teruggekomen werd op de zeer beperkte opvatting in genoemde resolutie neergelegd.

Sluiten