Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De Vergelijkingsjaren.

Een der belangrijkste grieven, die der Commissie ter kennis is gekomen, is wel deze, dat in de Wet op de O. W.-belasting 1916 geene voldoende waarborgen zijn te vinden, waardoor voorkomen wordt, dat in plaats van de werkelijke oorlogswinst ook de normale winst der bedrijven door de belasting wordt getroffen, zoodat de praktijk der wet eigenlijk hierop neerkomt, dat men des te meer oorlogswinstbelasting betaalt, naarmate men minder winst in de vergelijkingsjaren behaalde. De Commissie is van oordeel, dat hierdoor groote onbillijkheden geschapen worden; immers wordt eene zaak, voor welke de vergelijkingsjaren slechte resultaten gaven, hetzij omdat het bedrijf in het algemeen zwak stond, hetzij omdat het door abnormale tijdsomstandigheden werd gedrukt of toevallig minder zaakkundig werd beheerd, ook op den duur zwaarder getroffen dan andere bedrijven, voor wie de vergelijkingsjaren gunstig, wellicht toevallig ongewoon voordeelig waren. Deze onbillijkheid klemt te meer, daar zij zich ieder jaar herhaalt en het gevolg is dan ook, dat dergelijke bedrijven ten opzichte van hunne concurrenten steeds gehandicapt blijven, omdat zij telkens een zooveel grooter deel van hunne winst aan den Staat zullen moeten afstaan.

Bovendien wil het der Commissie voorkomen, dat deze toestand ook op de oeconomische ontwikkeling eenen remmenden invloed zal uitoefenen; immers, door den naar verhouding abnornaal zwaren belastingdruk zullen de bedrijven, die in de jaren vóór het noodlottige 1914 in opkomst waren en aan welke mede eene eerste plaats behoorde toe te komen in den na den oorlog te verwachten oeconomischen strijd, steeds meer aan levenskracht moeten inboeten en zullen eveneens de zaken, die zich van eene door toevallige omstandigheden veroorzaakte inzinking van vóór den oorlog hadden te herstellen, hierin ernstig worden belemmerd, zoodat ook zij wellicht niet voldoende kracht kunnen vergaren voor de haar wachtende taak. De Commissie is dan ook van meening, dat een onwrikbaar vasthouden aan de in de vergelijkingsjaren verkregen winst voor vele bedrijven eene normale ontwikkeling zal onmogelijk maken wellicht zelfs voor een deel daarvan den ondergang zou kunnen beteekenen, vooral nu men door het voortduren van den oorlog steeds verder van het tijdperk 1911 —1913 verwijderd raakt.

Bij haar zoeken om voor deze moeilijkheden eene oplossing te vinden, heeft de Commissie zich zooveel mogelijk laten leiden door het beginsel, dat naar aanpassing aan de bestaande regeling gestreefd moest worden. Was'de stroefheid der wet getemperd geworden door eene onbekrompen toepassing door de uitvoerende ambtenaren, dan had wellicht art. 1 tweede lid voor deze moeilijkheden eene oplossing kunnen geven. Hiervan is echter naar het oordeel der Commissie niet veel terechtgekomen. Talrijk zijn de klachten, waaruit blijkt, dat de inspecteurs zich bij de toepassing der wet niet zelden op een zeer fiscaal standpunt stellen en zich niet gemakkelijk iets aannemelijk laten maken. Voegt men hierbij het feit, dat het steeds meer onmogelijk wordt voor ieder geval op zich zelf aannemelijk te maken, wat een bedrijf in normale jaren verdiend zou hebben, dan is het duidelijk, dat men van art. 1 tweede lid alléén geen heil meer zal kunnen verwachten, maar zijne toevlucht zal moeten nemen tot eene aanvulling van de wet.

Sluiten