Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met instemming heeft de Commissie dan ook gezien, dat ook de Regeering, blijkens de voorgestelde wijzigingen der Wet op de O.W.-belasting, tot dit inzicht is gekomen. Hoewel de Commissie aan den eenen kant de gedachten, die in de voorgestelde artikelen lObis en 24bis tot uiting komen, meent te kunnen toejuichen, is zij aan den anderen kant van oordeel, dat de nieuwe regeling toch niet ver genoeg gaat. De Commissie acht art. 24bis, indien straks het heffingspercentage op 50 wordt gebracht, geene groote verbetering; immers dan zal van reserves 25 % in plaats van 30 °/0 geheven worden. Zij meent te moeten bepleiten dat reserves, die door de abnormale omstandigheden noodzakelijk zijn geworden, geheel onbelast behooren te blijven, m.a.w. dat deze van de opbrengst van een bedrijf in mindering gebracht mogen worden.

Naar de meening der Commissie geldt het motief voor art. lObis n.1. het behoud van onze oeconomische weerkracht niet alleen voor de Nederlandsche handelsvloot maar ook in niet mindere mate voor de Nederlandsche industrie, zoodat het der Commissie billijk en noodzakelijk voorkomt art. 24bis zoodanig te wijzigen, dat althans voor de industrieele en daarmede samenhangende bedrijven de door de tijdsomstandigheden geboden reserveeringen geheel buiten de O.W.-belasting zullen vallen.

De Commissie had zich de regeling hiervan aldus voorgesteld, dat alleen reserves, die gevormd worden tot een bepaald aangewezen doel, dat in verband staat met den' oorlogstoestand, voorloopig zullen worden vrijgesteld. Blijkt later dat eene dergelijke reserve niet of slechts gedeeltelijk is behoeven te worden aangesproken en niet meer voor het beoogde doel noodzakelijk is, dan zal alsnog het verschil in belasting tusschen den oorspronkelijken aanslag en wat geheven zou zijn, indien de reserve of het ongebruikte en niet meer noodige gedeelte ervan van den aanvang af bij de winst gerekend was, kunnen worden nagevorderd. Uit den aard der zaak zal dit recht van navordering eerst dan kunnen worden uitgeoefend, wanneer is komen vast te staan, dat de reserve niet meer voor het vastgestelde doel zal of kan worden gebruikt, terwijl genoemd recht vijf jaar na het eindigen van den tegenwoordigen oorlog geheel behoort te vervallen, zoodat vóór of op dat tijdstip voor zooveel noodig de definitieve afrekening met den fiscus zal moeten geschieden. De Commissie heeft gemeend dit tijdstip niet te spoedig op den vrede

der wet op de Inkomsten belasting 1914, dan behoort zij bij die wet en bij de wet op de Oorlogswinstbelasting ten spoedigste toelaatbaar verklaard te worden, tenzij UExc. termen aanwezig mocht achten, om er de betrokken belastingambtenaren op te wijzen, dat in beide boven bedoelde gevallen reserves ter zake van den „ijzeren voorraad" behooren te worden toegelaten.

In elk geval zoude dat naar de meening van ondergeteekenden reeds kunnen geschieden voor het geval, dat nog voorraad aanwezig is. Die voorraad behoort tot een maximum van den voor elke onderneming benoodigden „ijzeren voorraad", niet hooger gewaardeerd te worden, dan de gemiddelde prijs daarvan per 31 December der jaren 1911, 1912 en 1913. Hoeveel de „ijzeren voorraad" voor elke onderneming bedraagt, kan in verband met de boekhouding en de omstandigheden gemakkelijk genoeg worden vastgesteld.

Het spreekt vanzelf, dat het niet de bedoeling der ondergeteekenden is, de bevoegdheid tot het maken van reserves ter zake van den „ijzeren voorraad" ook aan te nemen voor gelegenheidsbedrijven en voor ondernemingen, die in liquidatie verkeeren."

Sluiten