Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE VIII.

Resolutie van 5 Mei 1917, No. 176.

Gewone en buitengewone afschrijvingen op gebouwen en machines van fabrieksondernemingen.

De Minister heeft bij circulaire het volgende aan de directeurs medegedeeld: „De Commissie van Advies in zake de uitvoering der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916, onlangs door mij geraadpleegd over de afschrijving op de gebouwen en machines van eenige fabrieksondernemingen, heeft als hare meening te kennen gegeven:

1. dat een normale jaarlijksche afschrijving van 4 percent op de afschrijvingswaarde *) der gebouwen en van 8 percent op de aanschaffingswaarde der machines voldoende is te achten;

2. dat indien ook 's nachts wordt gewerkt, over de periode waarin zulks plaats heeft, een extra-afschrijving op de basis van 2 percent per jaar voor gebouwen en 12 percent per jaar voor machines geoorloofd is;

3. dat voor zoover tijdens den oorlogstoestand voor gebouwen en machines een hoogere aanschaffingsprijs" mocht zijn betaald dan in normale tijden het geval zou zijn geweest, voor de bedoelde fabrieken het bedrag boven den normalen prijs besteed, over 3 jaren zou mogen worden afgeschreven.

Tot toelichting van dit advies, waarmede ik mij vereenigd heb, kan het volgende dienen:

Had men alleen rekening te houden met den tijd gedurende welken een fabrieksgebouw op zich zelf beschouwd, bruikbaar blijft — welke tijd zeker op 50 jaren kan worden gesteld — dan zou een afschrijving van 2 percent 'sjaars op de aanschaffingswaarde van zoodanig gebouw voldoende zijn. Intusschen is ook rekening te houden met de mogelijkheid, zoo niet waarschijnlijk, dat de installatie moet worden vervangen door een moderne, die andere eischen stelt aan het gebouw, en dat daarom binnen de 50 jaren het bestaanden gebouw wordt gesloopt en een nieuw wordt opgetrokken. Om deze reden kan een afschrijving van ten hoogste 4 percent worden toegelaten.

Daar deze afschrijving dus niet alleen gegrond is op slijtage van het gebouw, kan zij niet ter zake van nachtarbeid eenvoudig worden verdubbeld. Alleen de daarin begrepen 2 percent, die voor slijtage (bij normale werktijd) voldoende zouden zijn^ kunnen voor den tijd, gedurende welken ook 's nachts gewerkt wordt, als extra-afschrijving nogmaals in rekening worden gebracht.

De afschrijving op machines mag niet worden gegrond op den tijd welken een werktuig kan worden gebruikt, onverschillig met welk resultaat. Vervanging zal reeds na korteren tijd noodig zijn, omdat de productie door gebreken der machine in hoeveelheid of hoedanigheid achteruitgaat. Ook kan het reeds eerder noodig zijn bestaande machines te vervangen door andere van verbeterde constructie. Voor normale afschrijving kan daarom 8 percent 's jaars als maximum worden gerekend.

Een belangrijke extra-afschrijving moet intusschen worden toegestaan, indien ook 's nachts wordt gewerkt, omdat dit geschiedt ten koste van het geregeld onderhoud der machines.

De onder 3 bedoelde afschrijving over 3 jaren wordt hierdoor gemotiveerd, dat de fabrieken belast waren met leverantiën in verband staande met den oorlogstoestand. Bij de onzekerheid wat na den oorlog de practische waarde zal zijn van gebouwen en machines, die bepaaldelijk voor een oorlogsindustrie worden gesticht of gekocht, werd voor het bedrag dat boven de normale aanschaffingsprijzen wordt besteed, een buitengewoon hooge afschrijving als geoorloofd beschouwd.

Intusschen is er reden om aan te nemen, dat in het algemeen de aanschaffingskosten van machines vóór het einde van 1915, zoowel in Engeland als in Duitschland, niet hooger zijn geweest dan vóór den oorlog."

x) De Commissie meent, dat waarschijnlijk is bedoeld de aanschaffingswaarde; zie de toelichting.

I

Sluiten