Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Noordschen koning en tegen den wilden viking, met zwaard en schild, met spade en vork en met de spits van de speer." Tevens werden aan de stranden burchten gebouwd, achter wier muren en borstweringen men zich kon verschansen. Zoo verrezen aan het Plie de stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.1)

Nog leeft op Schellingerland van geslacht tot geslacht de heugenis voort aan de geduchte Noren. Elk eilander kent de eeuwenoude legende, die aan de kerk te Hoorn op Ooster-Schelling is verbonden.

Er woonden — zoo luidt het verhaal — op dit eiland twee vrouwen, die hare echtgenooten hadden verloren in den strijd tegen de zeeroovers uit het Noorden. Ter gedachtenis aan de gevallenen wilden zij een bedehuis stichten, waar zij voor de ziel harer dierbare dooden konden bidden. Daar zij niet wisten op welke plek het huis des Heeren zou staan, besloten zij de aanwijzing daarvan aan den Almachtige zelf over te laten. Te dien einde lieten zij eene koe uit de weide loopen, en bepaalden, dat waar het dier zou gaan liggen, de van God verkoren plaats wezen zou. Niet verre van den zuidelijken rand der duinen, in een laag, moerassig stuk land, zette de koe zich neer. Daar heeft men toen een terp opgeworpen en op haar rug de beloofde kerk doen verrijzen, die thans nog het huis des gebeds is van de Hervormde gemeente te Hoorn. Niet lang daarna is dit Christelijk bedehuis — aldus luidt de legende verder — door de Noormannen op een hunner strooptochten in een heidensch tempelgebouw veranderd. In den Noordermuur werd een laag deurtje aangebracht, waardoor men slechts in gebogen houding — een gedwongen hulde aan den onderdrukker — huiswaarts kon gaan. Boven dit deurtje ') It aade Friesche terp, bl. 73.

Sluiten