Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te Midsland, reisde hij naar het vergelegen stadje Grave, waar Heer Cornelis zich destijds bevond. Hij zeide zwaar gegriefd te zijn door de handelwijze van den rentmeester; zijn geslacht had steeds de inkomsten van het eiland getrokken; zelfs de graaf van Holland had nooit meer gevorderd dan 25 gulden per jaar, en moest de nieuwe Heer dan nu alle baten hebben? Heer Cornelis antwoordde verontwaardigd: »meent gij dan, dat mijne vaderen het eiland voor 2000 gouden schilden hebben gekocht, om daarvoor slechts een armzalige 25 gulden als rente te ontvangen? Moet ik jaarlijks zelf niet een vaste som uitkeeren aan den proost van St. Donaes te Brugge? »Ik versta metten Heerlijkheid te hebben 't geen totter Heerlijkheid behoert, te weten: water ende wind, lyfF ende litt, als crime ende civile, keuren ende breuken, waranden, duynen ende aanwassen, moelens, gemale, visscherye, vogelrye, aandriften als zeevanck, collacie van kercken, schot ende lot als huysgelt, officieren, baljuw, schoutenschap, schepenen, gezworenen, rentmeesters, heemraden, klokkenslag, gevankenisse, profyt van den segel, de Grindt als eylant behoerende aen der Schelling ende voorts al wat bevonden sal worden tot cle Heerlijkheid te behoeren."

Jarich hernam daarop, dat hem toch in elk geval toekwamen: de molen te Formerum en de renten van het eiland Gryn. Ook toonde hij nog de oude familiestukken zijner vaderen, o.a. een verklaring van de stad Amsterdam en Haarlem, waaruit moest blijken, dat de Popma's Schellinge en Grvn weleer in eigendom hadden gehad. Doch Heer Cornelis bleef op zijn stuk staan en verklaarde »hij en wolde van syne Heerlijkheid niet gesceyden, om gheen dinck, nog van iet dat der Heer-

Sluiten