Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de Geuzen maakten korte metten. Zij staken eerst de deftige stins in brand, namen toen den pastoor en den drossaard, die weerspannig waren, gevangen,1) en van tegenstand was verder geen sprake meer. 't Was victorie op de Waddeneilanden. Ook op Ameland, waarheen een deel der vloot had koers gezet, woei de oranjevlag van de torens. En terwijl het vasteland nog zat te zuchten in den druk, gloorde tusschen Flie en Bome reeds het morgenrood der vrijheid.

Wat al stoutigheden heeft het Geuzenvolk van uit deze posten bedreven. »Zij drongen — zoo meldt de geschiedschrijver — landwaarts in en richtten gewoonlijk hunne strooptochten tegen kloosters en kerken. De heilige schatten zoowel als de uitgelezen wijnen en bieren der kloosterlingen waren hun buit en de monniken en nonnen, zoo zij eenige waarde hadden, werden naar ter Schelling en Ameland gevoerd, om voor een goed rantsoen te worden losgelaten."2)

Toch was niet het land, maar de zee het terrein waarop deze mannen zich in hun kracht voelden. Met hunne lichte vaartuigen kruisten zij voortdurend om de zeegaten, zoodat zij de sleutels van ons land aan de zeezijde in handen hadden. Het getal schepen die ze inrekenden was dan ook legio. En alles was van hun gading, zoowel een armzalige hulk met stokvisch, als een rijke Riga vloot met kostbare lading.3) Dat zij in hun kaapvaart menigmaal het bevel van hun lastbrief overtraden: »dat zij den onderzaten des H. Roomschen Rijks, der Koninklijke Majesteit van Engeland, Denemarken, Zweden en Frank-

>) Epistolae ad Joach. Hopperum, Ep. 88, pag. 228.

2) A. P. van Groningen, Geschiedenis der Watergeuzen, bl. 36.

3) van Groningen, t. a. p. bl. 42, 63.

Sluiten