Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't weldra geen voordeel meer op te leveren. Vanaf 1650 werd de ijsvisscherij regel en daarmede een nieuw tijdperk in. de geschiedenis der walvischvangst geopend.

Gemeerd aan een ijsveld, soms 6 of 8 mijlen in omtrek, wachtte men of een visch van onder of langs dit veld zou opduiken. Werd men de prooi gewaar, dan klonk het commando: »val, val!" en stortte het volk zich in de sloepen, drie in getal, bemand met zes koppen, waaronder één harpoenier. Stillekes, maar met vasten slag gaat 't er nu op los en de harpoenier, die er maar 't eerst bij is, drilt den visch met alle macht een drie voet lange pijl met weerhaken in het lijf. Met bliksemsnelheid is het monster weggedoken in de diepte, maar de harpoen zit vast en inmiddels zorgen de mannen dat de lijn, die aan de harpoen is bevestigd, goed uitviert. Weldra moet de visch weer adem scheppen, en dan giert 't in zijn luchtpijpen, dat 't een halve mijl ver te hooren is. Een tweede harpoen wacht hem nu en aanstonds worden daaraan de noodige lansstooten toegevoegd.

Eindelijk is hij zoo gestoken in longen en lever dat het bloed uit de luchtpijpen opspuit, een mast hoog. «Hij gaat Oranjeblazen" schatert Janmaat. Daarop volgt de doodstrijd. Een ontzettend schouwspel! De geweldige staart die aan het uiteind omtrent 27 voet breed en 2 voet dik is, beukt als een reuzenhamer de golven, en elke slag klinkt als een kanonschot. Aan spaanders gaat dan ook de sloep, die onder zijn bereik komt.

Ten laatste kantelt de reus op één zij de en dan onderstboven. Dat is het einde. Een donderend hoezee stijgt op uit de sloepen. De gezellen zwaaien met de muts en roepen: «Geluk Commandeur, geluk met de visch!" waarop de commandeur antwoordt: »IJ ook zoo mannen al te maal!"

7

Sluiten