Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

geen antwoord is gegeven. Moest dus dat antwoord uit de rede komen, dan zou de menschheid eerst duizenden jaren hebben moeten leven, eer ze zoover was, dat ze een antwoord op die vraag kon geven. Ze heeft dan 6000 jaren in onwetendheid geleefd en eerst in 1850 met Darwin een antwoord gekregen. Op het Evolutiestandpunt spreekt dit zelfs nog sterker, aangezien de mannen der Evolutie leeren, dat het menschelijk geslacht reeds tienduizenden van jaren heeft bestaan. Dus dan is de menschheid op dit punt nog duizenden jaren langer in onzekerheid geweest.

Raadplegen we daarentegen de historie, dan zien we, dat de behoefte om een antwoord te hebben op die vraag naar het ontstaan der dingen zóó groot was, dat er onder alle meetellende volken sagen en mythen over in omloop zijn, die men onder de kosmogenetische legenden kan samenvatten. Yoorts heeft, zoover de philosophie opklimt, die vraag naar den oorsprong der dingen de denkers altijd beziggehouden.

Eenerzijds bespeuren we dus van de vroegste tijden af een algemeen menschelijke behoefte naar een antwoord op die vraag, en anderzijds de evolutionistische bewering, dat eerst anno domini 1854 aan die behoefte zou zijn voldaan. Maar voldaan dan ook op zulk een wijze, die er alle belangrijkheid aan ontneemt, het religieuze besef vernietigt en ons doet wegzinken in een mechanisch materialisme.

Het vinden van een antwoord op de gestelde vraag door de Openbaring beveelt zich dus op zichzelf al reeds aan. Dan verzelde de kennis daarvan den mensch al terstond op zijn pad, dan was van meetaf aan die dringende behoefte der menschelijke natuur voldaan. Ook buiten Israël en de Christenheid hebben eeuw aan eeuw de volken voortgeleefd in de zekerheid, dat er aan die behoefte voldaan was, en heeft een zij het ook vervalschte traditie een antwoord op die vraag gegeven.

Het pleit tusschen de mannen der Openbaring en die der rede staat dus volstrekt niet gelijk. Op het standpunt der Openbaring heeft men alles voor, op dat der rede alles tegen zich.

Dit op algemeen terrein.

II. Komen we nu op theologisch terrein, waarbij we ons thans alleen hebben te bepalen, dan is de Openbaring vanzelf ons eenig uitgangspunt. Voor ons staat vast, dat we van het ontstaan der dingen door de Openbaring, en daardoor alleen, kennis bezitten.

In de tweede plaats heeft ook de locus de Oreatione voor ons een heel andere beduidenis. Ons is het daarbij te doen om God te kennen, te kennen hier uit Zijn werken. Het is dus niet maar de menschelijke behoefte om het

Sluiten