Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

worden in het geluk van het schepsel, want dit geluk bestaat slechts voor een zeer betrekkelijk deel, maar ligt ten principale uitsluitend daarin, dat God Zijn eigen verheerlijking zocht. Iets wat dan zóó kan verstaan worden, dat in elk der drie Personen de drang is om de glorie dei andere op het heerlijkst te doen uitkomen. De causa movens zou dan te omschrijven zijn als gelegen in de eeuwige onderlinge liefde van Vader, Zoon en Heiligen Geest.

I. De Greatio behoort tot de werken Gods. Om haar goed te verstaan moeten we dus eerst omtrent het werken Gods een duidelijke voorstelling hebben. Nu is werken een begrip, dat zelfs in het gewone leven in verschiflenden zin wordt gebruikt. We zeggen, dat we zoo- en zooveel uren gewerkt hebben, als we ons hebben bezig gehouden met een bepaalde taak. Maar van werken kan ook sprake zijn als er geen de minste taak wordt verricht. Als het paneel scheef trekt zegt een timmerman: dat hout werkt. Hier is het dan geen taak, maar eenvoudig beweging. De geneeskunde spreekt van een werking in de longen, ingewanden, enz., wanneer er in het lichaam iets te bespeuren valt van een beweging, die er anders niet is en er dan ook niet behoort te zijn.

Spieken we nu van het werken Gods, dan moeten we dat niet alleen daarin zien, dat er iets buiten God door God tot stand komt of in stand wordt gehouden. Toch is deze dwaling tamelijk algemeen. In den regel denkt men, dat God pas met de Schepping begonnen is te werken, en na zesdaagsche Schepping weer ophield met werken en is gaan rusten. Men brengt dan een anthropologisch begrip van werken op God over. Meer nog. Als wij toch onzen dag in werkuren en andere indeelen, wil dat nog niet eens zeggen, dat we buiten die werkuren niets doen. Het roepen om een acht-urigen weikdag wil niet zeggen, dat men dan de overige uren als pilaren aan den wand zal staan, maar alleen, dat men dan niet werkt met een bepaalde taak.

Daarom zijn we in deze paragraaf begonnen met eerst het principiëele begiip van werken onder de oogen te zien. En de ontwikkeling der leer van de SwaiLis en de ivegyeicc op natuurkundig en mathematisch gebied is een gioote hulp om in het werken Gods een dieper inzicht te verkrijgen.

Deze ontwikkeling heeft namelijk geleid tot de wet van de constantheid der energie. In beginsel was ze reeds door Huygens ontdekt, maar tot rijker opvatting kwam eerst von Helinholtz. Ze kwam in deze eeuw van lieverlee

Sluiten