Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

anthropologisoh tot Gods werken opklommen, zat ons in den weg en vloeide voort uit onze onkunde van de werking der energie in de natuur. De constante energie echter verklaart ons het eeuwig duurzame in God.

Is dat dus de energie in God, dan vragen we nu in de tweede plaats: Wat is werken in God? Werken is de overgang der energie van den eenen in den andeien voim. Maar dat is iets, wat in het Goddelijke Wezen niet plaats vindt. Wel bestaat die overgang bij God als het tot de Schepping komt, maaier is ook een werken van de goddelijke energie, dat niet het karakter van overgang draagt.

Om dit te vatten lette men op de schriftuurlijke onderscheiding tusschen

Svva^iig en èvepysia.

Zoo lezen we Joh. 5 : 17 : 'O nazjjp pov êag apvi iQydfczai, yiccyw èeydSofiai. DUS een altoos doorgaan van de energie.

In Genesis 2 : 3 lezen we: God heeft op den zevenden dag gerust van al Zijn werk, hetwelk Hij geschapen had om te volmaken. D. w. z. het produceeren Gods hield op, doch nu moest hetgeen potentieel in die Schepping gegeven was, geheel daarin worden uitgewerkt, volmaakt. Ook dit duidt dus op een constante werkzaamheid Gods.

Dan een plaats, waarop bij deze quaestie niet genoeg nadruk kan worden gtlegd, Ef. 1 : 19. 20: ló vjisppdUov /xt'ye&og zi'/g dvvd^scag avzov Eig r^ias zovg Ttiazsvovzag xaza zt)v évtQynav zov v.ouzovg zfjg iazvos avzov, fjv évi'^yrfitv iv rö XqlozÉ)

tyeiQag avzov ex vsxqüv. Hier is dus sprake van een energie, die God in Christus gewerkt heeft bij Zijn opstanding uit de dooden. Daarin openbaarde zich een uitnemende utyt»og, d. w. z. de maat van de <Uv«,uS. En *edzoS is de maat om de hoegrootheid van de laXvS uit te drukken. De is de in kracht

gezette êvva^ig. En de ëvvau,g is de potentie die in de kracht uitkomt.

Evenzoo in 3 : 7: xazcc zljv ivégytiav zrjg Swafismg avzov. Hier is dvva^ig weer de in God ïesideerende kracht en ivégyeia de uitkomende kracht.

In Phil. 3 : 21 wordt hetzelfde op Christus overgebracht: xaza zijv ivéqyuav

zov Svvao&at, avzov Kal v7iozut,ai iavzo) ra mxvza.

Ook Goloss. 1 : 29: uazu zrjv ivégyeiav avzov zijv iviQyovfiévriv iv ifiol iv Svvdfiei.

En evenzoo 2: 12: Evvzayêvres aizo) iv ra, Punziöiiazi- iv <5 «ai avvrjyee&Tjze Sta zijg TCtazetos rfjg êvtgyiiag zov @sov zov iyeigavzog avzov ix zwv vexno'iv.

Evenals tegenwoordig is dus de onderscheiding tusschen dwafiig en ivepyeia ook in de Schrift reeds geheel aanwezig. De Schrift leert ons in God niet een doode kracht kennen, als electriciteit in een busje opgesloten, of als de opgewonden veer van een horloge, welke kracht dan levend zou zijn gaan werken

Sluiten