Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Sprekende van het opus exeuns houde men wel in het oog, dat het ten deele is: non exeuns quod exivit, ten deele exeuns quod exit ipso momento, en ten deele exiturum quod exibit post hoe. Het opus exeuns begint met nog niet uit te zijn gegaan. Eerst van het oogenblik der Schepping af is het uitgaan begonnen. Het decretum echter om het eenmaal te doen uitgaan is er van eeuwigheid af geweest. Toch is het ook reeds in het decreet exeuns genoemd, en we houden ons aan die benaming, al is ze strikt genomen niet juist. Het is dan exeuns maar nog in den toestand „non exeuns". En terwijl nu het opus immanens een opus Siai^rov is, onderscheidenlijk door den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest gewerkt, is het opus exeuns tribus personis commune.

Om nu dit opus exeuns eenigermate te verstaan, heeft men zich te doordringen van de hooge beteekenis der fcintcizie. Op het voetspoor toch van Aristoteles zijn de gereformeerde theologen te zeer vervallen in de fout, om enkel van intellectus en voluntas te spreken, en dan bij intellectus slechts te denken aan het verstand. Toch wordt het eerst goed weergegeven als men vertaalt: bewustzijn. Maar dat bewustzijn nu heeft onderscheidene wijzen van werken. Reeds in de logica onderscheiden we tusschen begrip en voorstelling. Spreek ik van het begrip paard, dan subsumeer ik het onder de viervoetige zoogdieren. Bij de voorstelling paard echter zie ik het paard in den geest voor me. Dus de intellectus heeft reeds in de logica een dubbelen kant. Maar daarmee is nog niet genoeg onderscheid gemaakt. Immers, we zouden geen voorstellingen kunnen hebben, wanneer er niet ook een verbeeldend vermogen in ons bewustzijn was. En gelijk men nu bij het denken tweeërlei heeft:

1°. een opnemen van de ons gegeven begrippen (passief), en

2°. een afleiden uit die gegeven begrippen van nieuwe (actief), zoo ook is in het beeldend vermogen te onderscheiden: 1°. een passief element, als ons voorstellingsvermogen de beelden opneemt in den geest, maar daarnaast 2°. een actief werken van den geest met de beelden. En dat nu is het verbeeldingsvermogen of de fantazie, dat een scheppende, productieve kracht heeft.

Terwijl nu de gereformeerde theologie, onder de macht der Aristoteliaansche begripswereld, bijna met niets anders dan met begrippen werkte, kan niet ontkend worden, dat de Schrift ons daarentegen veel minder begrippen en veel meer beelden en voorstellingen biedt. Wij b.v. zeggen van een persoon, dat hij is gepraedestineerd en uitverkoren. De Schrift echter leert niet enkel uitverkiezing maar vóórkennis, prognosis. Zoo lezen we Jer. 1:5: „Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend"; waarin ligt uitgesproken, dat

Sluiten