Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3. Num creatio mutationem in Deo ponit.

Bij de Schepping bestaat voor ons 't moeilijkste probleem bij de vraag, hoe de overgang uit den staat zonder Schepping in een staat met Schepping overeen is te brengen met de onveranderlijkheid Gods. De moeilijkheid van dit probleem bestaat voor ons daarin, dat wij het gelijkblijvende in God niet anders dan vanuit ons standpunt, d. i. door ontkenning van de veranderlijkheid kunnen uitdrukken, teiwijl het toch vanzelf spreekt, dat juist omgekeerd onze veranderlijkheid behoort verklaard te worden door de ontstentenis van hetgeen eeuwig Zichzelf gelijk blijft in God. Het onveranderlijke is voor ons de negatie van het proces, van het allengs worden en anders worden, gelijk dit van ons bestaan in den tijd onafscheidelijk is. En dit nu leert de Schrift, dat in God niet bestaan kan. Al wat wordt moet onder zich een grond waaruit, of achter zich een kracht hebben waardoor het wordt, en die grond of die kracht kan niet nogmaals geworden zijn, daar dit hetzelfde probleem nogmaals in de conclusie stellen zou. Al wat wordt moet daarom zyn oorsprong en uitgangspunt vinden in iets, dat niet woidt maar is; het worden komt uit het zijn. Hiermede nu is de leer deiSchepping niet in strijd maar in overeenstemming, want ze wijst ons in God juist dat zijn aan en toont ons in de Schepping het worden

dat uit dit zijn opkomt.

Dan echter ontstaat de tweede vraag, hoe het te begrijpen is, dat dit worden niet altoos plaats greep, maar dat God van eeuwigheid was zonder dit worden, en dat Hij daarna dit worden een begin deed hebben. Hierop nu dient te worden geantwoord:

1°. dat het worden uit het zijn uit den aard der zaak niet eeuwig kan wezen, overmits bij die onderstelling het zijn en het worden saam zou vallen en hiermee het onderscheid tusschen beide zou zijn opgeheven;

2°. dat in dien zin genomen niet alleen de creatio, maar evenzoo aldoor de geheele processus naturae et historiae verandering in God zou stellen, overmits elk oogenblik in natuur en historie het worden doorgaat en nieuw uitkomt wat eerst niet was;

3°. dat hier onderscheiden moet worden tusschen het woiden en

Sluiten