Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

of God. Maar ook de engelen vallen nog weg, want we hebben 't nu over de creatio in haar wijdsten omvang, en dan zijn de engelen zelf producten der Schepping. Daarom ontkomen we nimmer aan dit dilemma: de Schepping is ons öf door God geopenbaard, öf we weten er niets van.

In de tweede plaats komt de vraag in aanmerking naar de verschillende manieren, waarop God die openbaring aan den mensch kan hebben gegeven. En dan zijn er drie mogelijkheden:

1°. dat God ze door bewuste openbaring, notione clara, aan den mensch heeft meegedeeld;

2°. dat God in den mensch een besef heeft gelegd, waarmee rechtstreeks wel niet de wetenschap, maar dan toch het gevoel, dat dingen door God geschapen zijn, hem is ingeprent;

3°. dat men uit het product zelf zijn oorsprong leert kennen, wat bij vele dingen mogelijk is.

Drie openbaringen staan dus naast elkander:

1°. de revelatio specialis;

2°. de mythologie;

3°. de natuurkundige en wijsgeerige wetenschap.

Elke dezer drie openbaringswijzen nu heeft haar eigen beteekenis; maar terwijl de laatste alleen de verandering na de creatio openbaart, en de tweede alleen een algemeen besef geeft, dat de mensch nog zelf heeft aan te kleeden, is alleen het eerste een Scheppingsverhaal, waardoor we de certitudo creationis bekomen.

Voorts houde men bij het spreken van het besef der Schepping in den mensch wél het onderscheid in het oog tusschen den mensch vóór en na den val. Bij Adam werkte dat besef zuiver, wijl zonder zonde; bij ons werkt het onzuiver, wijl met zonde.

Ook bij het wetenschappelijk-natuurkundig onderzoek dient met dien factor der zonde rekening te worden gehouden. Dit onderzoek toch had nog in menig opzicht tot een resultaat kunnen leiden, wanneer het product deiSchepping in gave conditie ware gebleven, maar niet nu èn het subject èn het object van onderzoek beide door den vloek in een staat van verstoring zijn gekomen.

II. Toch moet aan den anderen kant ook niet worden vergeten, dat het Scheppingsverhaal nog maar een deel vormt van de stof, waarmee we bij de vraag naar den oorsprong der dingen hebben te werken. Er bestaat n.1. bij ons een neiging om uitsluitend t>p dat ééne deel te letten, en hetandeievan geen waarde te achten. We mogen e.chter geen enkel element verzuimen.

Sluiten