Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

bespreken we dit punt straks nader. Maar nu reeds moet er op gewezen, dat de geheele Schrift er toe leidt om vast te houden aan de overtuiging, dat het Scheppingsverhaal Adam reeds van meetaf bekend is geweest. Zonder het eerste geloofsartikel: „Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde" is er geen belijdenis denkbaai.

Op zichzelf echter volgt daaruit nog niet, dat dit verhaal aan Adam ook in al zijn breedte en in dezen vorm moet zijn gegeven. Maar voor de religie is ook' noodig de kennis van de verhouding der verschillende deelen van de schepping tot elkaar. Dus moet reeds aan Adam geopenbaard zijn geweest, hoe het bij de Schepping is toegegaan. En die openbaring is daarna door traditie medegedeeld en die traditie voortgeplant. Voor het zuiver bewaard bliiven dezer traditie bestond alle kans door de longaevitas. Negen honderd en dertig jaren is Adam zelf drager der traditie. In die traditie ligt juist de «W*r7 voor die anders zoo vreemde longaevitas. De traditie kan dus in tamelijk zuiveren vorm tot Mozes zijn gekomen. Dit wordt nog aannemelijker door het feit, dat er twee verhalen zijn van verschillend type. Die twee verschillende stukken bewijzen, dat we met traditie hebben te doen. Maar bij de teboekstelling werd de schrijver onder Geestesdrijving tot juiste schifting geleid.

Er is nog een andere voorstelling, van ten Kate n.1. als zou de openbaring aan Mozes in visioen zijn geweest. Maar deze voorstelling moet beslist worden verworpen. Er staan in het Scheppingsverhaal dingen, die geen visioenen kunnen zijn, maar uitspraken van God tot den mensch. Nu zijn er ook in visioenen wel uitspraken mogelijk, maar dat meent ten Kate met. Hij wil ons losmaken van het historisch verhaal. En daarmee vervalt de certitudo. We concludeeren dus, dat metterdaad oorspronkelijk aan Adam reeds mededeelingen betreffende de Schepping der wereld gedaan zijn, dat deze mededeelingen door de longaevitas en de traditie zijn overgeplant, en dat Mozes het ware en het valsche daarin onder Geestesleiding vaneen heeft gescheiden.

b. Thans komen we tot de twee verhalen.

In Genesis 1 vinden we een verhaal, dat voortloopt tot aan het vierde vers van Caput 2. Dat eerste verhaal kenmerkt zich door de enkele benaming

urbit. Het tweede daarentegen beginnende bij hfdst. 2 : 4 heeft telkens de beide namen DTifoc flirr. Dit tweede begint dus met het vers: nnbifl rhit

:dwi px nirr ni'rj? ora ax-cra pjcrn own

Nu heeft men gemeend dit tweede stuk als een tweede Scheppingsverhaal te moeten opvatten, omdat het begint met te spreken van nfl*n. Nu is het slechts de vraag, of dit woord ziet op wat achter ligt, of op wat er voor ligt.

Sluiten