Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

is. Door die Swa^s nu is aan de dingen een substantie gegeven. Alleen in het erkennen van een substantie, d. w. z. dat ze een eigen bestaan hebben, wordt het pantheïsme afgesneden. De straal van de zon heeft geen eigen substantie, maar hangt geheel van de zon af. Zoo zijn wij niet. Dan toch ware er ook irradiatio maar geen creatio. En dat is niet zoo. Of we met creatio dan wel met irradiatio te doen hebben, hangt geheel af van de vraag of het er altoos is geweest dan wel of het een begin heeft gehad. De zon schijnt altijd, ook al zien we 't niet. Zoo ook zou de irradiatio permanent zijn en altoos dezelfde. Doch de Schrift leert, dat er een begin is geweest. Het eerste Schriftwoord: „In den beginne schiep God den hemel en de aarde" is reeds dadelijk een negatie van het pantheïsme. Zoo ook Johannes 1, Spreuken 8 en Job 28. En waar een begin is, daar is een bewust van Zich uit doen gaan van kracht.

Voorts zien we de creatio zich geheel culmineeren in den mensch, die tegenover God wordt gesteld. De creatio treedt geheel te voorschijn als de productie van zichtbaie en onzichtbare dingen uit de ówaiiig zov Ssov op zulk een wijze, dat de geschapen dingen hun substantie ontvangen en behouden. Daaruit volgt vanzelf, dat geheel het betoog, als zou deze Scheppingsmacht mededeelbaar zijn, een onmogelijkheid is. Dit werd van Sociniaansche zijde volgehouden met de bewering, dat Christus, door Wien de wereld geschapen was, mets meer was dan een schepsel. Dit gevoelen wordt echter thans door niemand meer gedeeld. Voorts hebben de Roomschen het ook niet volgehouden bij hun leer van de Mis. Alleen nog bij de wonderen. Welnu, een mensch of engel kan zeer zeker wonderen doen, maar ze zijn nooit creatio, daar hij nooit een Swa^s bezitten kan, maar altoos een afgeleide kracht, gelijk Paulus strijdt èv Swa^i tov Xqlotov. Scheppen is alleen daar, waar het uit eigen kracht komt. En aangezien geen schepsel bestaat dan door de kracht Gods is dit onmogelijk.

Nog één viaag doet zich hierbij op, de vraag ten opzichte van de kunst. Vooral op kunstgebied wordt vaak het woord „scheppen" gebruikt. Men spreekt dan van de goddelijke schepping van Rafaël, enz. Ja, zóó diep is deze gedachte aan scheppen doorgedrongen, dat wij allen onbewust dit woord bezigen als we spreken van: poeët, poëzie, poeem. Dat nu deze gedachte van scheppen zoo is doorgedrongen, komt daarvandaan, dat kunstenaars in den regel lui zijn, wien het aan de noodige eigen inbeelding niet ontbreekt. Er is in de kunstenaarswereld een adoration mutuelle, en ook niet minder dan in de domineeswereld een benijden van elkander. Veel te veel ook hebben de gewone mensehen in de kunstenaars de idee van het goddelijke aange-

Sluiten