Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Gods wil en onzen wil. Ons willen wordt in ons gewrocht door het welbehagen Gods.

Het komt ook nog uit in een tekst, die op 't eerste hooren vreemd schijnt, al wordt hij ook vaak gerepeteerd, n.1. in Jesaia 40 : 13, 14: „Wie heeft den Geest des Heeren bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leeren van het pad des rechts? en Hem wetenschap zou leeren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?" Bij iets wat men doet, doen zich twee vragen voor, 1°. of het vrij is, en 2°. of ik het

alleen kan. De kranke neemt het drankje wel vrijwillig in, maar op raad van den arts. Hij kon het ook laten staan, maar zijn eigen kennis is niet genoegzaam. Daarom moet hij een raadsman hebben. Op dien steunt zijn wil. Maar, zegt Jesaia, zoo was het bij den Heere niet. Zijn wil is niet aan den raad van een ander gebonden geweest.

En Paulus hecht aan deze woorden zooveel beteekenis, dat hij ze opueemt aan het slot van een gewichtige uiteenzetting, Rom. 11 : 34: ,Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?" Er is dus niets, dat ter oorzake van eenig schepsel of uit inspiratie van een ander gebeurt; maar het is in den meest absoluten zin i* rov 0sov.

In 1 Cor. 2 : 16 vindt men nogmaals dezelfde aanhaling van deze woorden.

Plastisch wordt het bovendien nog uitgedrukt in Jesaia 55 : 8—11: „Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten. Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den etei, alzoo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.' Ware uit onze gedachten Gode iets toegekomen, dan stonden ze boven Gods gedachten. Maar God bepaalt doel en intentie.

Welke quaestie zit nu achter dit alles?

De uitnemendste Heidenen erkenden wel, dat de dingen aan Zeus of welken anderen God men wil, hun ontstaan dankten, maar boven dezen stond nog weer een onbegrepen iets, de het fatum, de necessitas. Die hoogeie

noodzakelijkheid is ook gekomen in de leer der lex aeterna der Roomschen. Wel hebben zij haar gemitigeerd, maar de formule ervan is toch door hen

Sluiten