Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

aangenomen. Doch er staat geen necessitas boven God. Zoolang men een lex aeterna aanneemt, die determineerend op God zou inwerken, is het absolute Christelijke Godsbewustzijn vernietigd, want de heerlijkheid daarvan is dat God a nemine determinatus omnia determinat. Is er daarentegen een fatum èn een God, dan raakt dit ook onze relatie tot God, dus onze religie. Ik ben dan wel van God, maar eigenlijk toch van het fatum afhankelijk, en moet met die boven God staande macht rekening houden. Elke voorstelling van dien aard brengt tot de heidensche gedachte terug en moet daarom ernstig worden bestreden.

Nu heeft men daartegen ingebracht: „Ja, maar zoo meenen we 't niet. Wij zeggen niet, dat God van een lex aeterna afhangt, maar wij bedoelen, dat Hij innerlijk gebonden is, en wel zóó, dat wij Hem aanbidden als ti Ayunr\. En nu moet toch alle &yunr\ een object hebben. Dat object is voor God de kosmos. Dus is dit noodzakelijk voor het bestaan van God." — Door zóó te spreken komt men echter vanzelf tot een tweede dwaling, n.1. die van de coëxistentie van God met den kosmos. De Ethischen, vooral onder den invloed van den ouden Chantepie de la Saussaye, komen dan ook van lieverlee weer op de Origenistische lijn van de eeuwigheid van den kosmos. Gods liefde heeft dan altoos dezelfde noodzakelijkheid gehad. Bestaat eenmaal die necessitas, dan moet ze altijd hebben bestaan. En zoo gaat men dan weer vanzelf den weg op van het pantheïsme. Het is een loochening van de sufficientia Dei, die in den grond voortkomt uit Unitarisme. Het is ontkenning van de Triniteit, waardoor het Wezen Gods in Zichzelf tegelijk subject en object Zijner ayanr\ is.

Daar komt dan in de tweede plaats nog bij, dat de Schrift leert, niet dat de kosmos bestond van het bestaan Gods af aan, maar wel dat reeds in het decieet de kosmos niet alleen itQooQiofios, maar ook ngoyvaxsts had voor God.

Maar voor nog een tweede quaestie staan we hier.

Men zegt: „Toegegeven, dat dit alles zoo is, dat God vrii was; maar dan volgt daar nog niet uit, dat God daarom ook vrij zou zijn in Zijn Schepping. Hij had het ook kunnen laten, maar verkoos Hij eenmaal te scheppen, dan moest Hij ze ook zoo scheppen en anders niet." Ook deze quaestie is van hoog aanbelang. En wel daarom, wijl er dan geen liberum decretum, geen vrijmacht in t besluit meer is. Dan moest het bestek zóó zijn en anders niet, wanneer eenmaal gebouwd werd. Dan dankt het decretum zijn zóó zijn aan een noodzakelijkheid. Dan is het decretum van een ander. Dan is het bestek aliunde. Dan is ons levenslot en dat der onzen, dan is al wat er is, niet afhankelijk van God, maar van de onbekende ccvaynri.

Nu is dit een vraagstuk van hoogen ernst. Het pessimisme heeft hierin

Sluiten