Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

hij niet in gemeenschap van goederen getrouwd, en dus kwam het er voor de erfgenamen zeer op aan, wie van beide, de man of de vrouw, het eerst was gestorven. Dat was nu net iets voor de advocaten. Er moest toch uitgemaakt, niet wie van beiden het eerst geraakt, maar wie het eerst dood was). En er is nog meer. B.v. de atmospherisch-meteorologische toestanden. Wy zouden zorgen, dat er altijd mooi weer was. De regen is een geweldig lastig ding. "Waarom kon de aarde dan niet ook zonder regen worden bevochtigd ? Waarom kan men niet overal leven? Waarom hebben de Eskimo's het zoo koud en zulke korte dagen ? En waarom heeft men aan de keerkringen in Senegambië maandenlang een hitte van 147° Fahrenheit? 't Spreekt toch vanzelf, dat daar van een ontwikkeling der energie geen sprake kan zijn. Het blijven daar altoos elementaire toestanden. En nu begrijpen we toch, dat er menschen zijn die vragen, of zoo'n ellendige wereld nu door God kan gemaakt zijn. Die vraag toont bovendien, dat wij een conceptie van een betere wereld bij ons omdragen. Daardoor juist kunnen wij die critiek uitoefenen. Hoe komen we dan aan die conceptie? Toch niet uit ons zelf. God heeft ze ons ingeschapen, en dus moet Hij als Schepper die conceptie ook in Zichzelf hebben. We komen dus tot de slotsom: God had de wereld beter kunnen scheppen, maar heeft het met opzet niet gedaan, en liet in ons nu nog bovendien het tergend besef, dat dit zoo is. Zoo komt er dus vanzelf haat tegen God.

We gaan nu niet verder op deze quaestie, die eigenlijk in de philosophie thuis hoort, in. Alleen is het de vraag: Wat moeten we, met de Schrift voor oogen, op dit alles antwoorden ? En dan moeten we het doen Gods niet zoeken te vergoelijken, zeggende, dat Hij toch wel rechtvaardig zal zijn, en, het oog sluitende voor de feiten, het doen voorkomen, alsof het alles mooi is. Vooral Zschokke deed dit, in het begin dezer eeuw, met zijn natuurbeschouwing. Maar dat is Gode onwaardig. Het doen van menschen kunnen we vergoelijken. Een kind mag tegenover vreemden de eer van zijn vader ophouden ook al is er veel aan te merken. Maar wanneer wij als Christenen zoo deden tegenover onzen Vader in de hemelen, dan zouden we 't doen Gods toch mislukt achten-

De Schrift zegt hieromtrent:

1°. dat die ellende in de wereld wel bestaat, maar dat daarnaast in natuur en wereldbestuur ook teekenen zijn aan te wijzen, die ons zóó duidelijk een oneindige wijsheid, schoonheid en goedheid vertoonen, dat we niet anders kunnen dan de grootheid roemen van Hem, Die ze zóó schiep. Denk b.v. aan het keurig bewerkte menschenoog. Zie het leven der bijen, hoe ze onder elkander werken en cellen maken, die blijken altijd weer tot op een hondersten

Sluiten