Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

millimeter gelijk te zijn, en met de dunste laag de sterkste wandbedekking te vormen;

2°. dat het bestel Gods is geweest om te beginnen met een aanvankelijk lagen trap om zoo van lieverlee op te klimmen, en dan eerst aan het eind de volmaaktheid te bereiken. Dat God de Heere zoo'n proces wilde toont het Paradijs. Indien de mensch trouw bleef in het Werkverbond, zou hij in het eind het eeuwige leven verwerven. Zoo heeft God in den beginne zon en maan, licht en duisternis geschapen; maar in de Openbaring lezen we, dat er geen zon en geen nacht meer zijn zal.

3°. dat de wereld gelijk ze nu is, niet is de wereld zooals God ze schiep, maar de vloek is erover gekomen, ook in het geheele natuurleven. Ook de geologie leert, dat die onuitstaanbare kou en ondragelijke warmte er niet altoos geweest zijn, maar dat er een groote verandering heeft plaats gegrepen, 't Is een gevolg van de zonde. En waar we dat spoor van vernieling niet ontdekken, zooals in het oog, of in de bij, daar hebben we nog brokstukken van de oude heerlijkheid.

Nemen we nu deze drie momenten bijeen, en vragen we dan, of we, gelijk bij de reconstructie van Poinpeji, uit de ruïne tot de heerlijkheid van het oorspronkelijke besluitend, op die wijs het beste hebben, dan moet het antwoord zijn, dat dit niet het ideaal is. Het is niet het volmaakte van onze conceptie. Er moet opklimming zijn blijkens het heimwee naar het hoogere. Maar vraagt men, of de tegenwoordige gegevens de kiemen in zich bevatten om door geregeld proces tot heerlijkheid te worden geleid, dan is het antwoord zeer stellig: ja.

Bij de vraag eindelijk, welk doel de Heere God met de schepping der wereld had, moeten we niet de fout begaan, dat we den mensch zelf als het doel stellen van den kosmos. God zelf is daarvan het doel. Over de vraag, of die wereld nu ook aan dat doel beantwoordt, kan dus niet de mensch, maar God alleen oordeelen.

Al moeten we dus het pessimisme ernstig weerspreken, toch mag men evenmin zeggen: dus heeft God de wereld ook zóó moeten scheppen. De kosmos, hoe groot ook, blijft n.1 altoos een eindig begrip. Alle kracht nu, die zich in een creatio finita geheel zou uitputten, zou zelf eindig zijn. Had God dus in de Schepping Zijn almacht uitgeput, dan zou Zijn kracht daardoor gebleken zijn een eindige te wezen. En dit ware de vernietiging van het oneindige. Want als ik God eindig maak, dan is er geen God meer. Hoogst gevaarlijk is het dus die stelling vol te houden. Juist het geloof in Gods oneindigen wil, kracht en wijsheid leert, dat Hij de wereld ook anders had kunnen scheppen. En als de voorstanders der tifiaQ^vri dan zeggen: 't was zoo verordineerd en

Sluiten