Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

kiuipend gedierte, en als het nu op de gelijkenis aankomt, een worm ons nu toch juist niet zoo heel sterk als een voorvader toespreekt.

Ook verdient het de aandacht, dat de dieren gedurig aan den mensch worden voorgehouden als voorbeelden tot vorming van zijn eigen psychisch leven. De klokhen en de mier b.v. zijn, volgens de Schrift, wezens, door wie God ons voor ons psychisch leven iets te zeggen heeft.

Viaagt men nu wat dan het eigenaardige is, waardoor deze dieren van de andeie ondeischeiden zijn, dan is dat de generatie. De visschen en vogelen telen ook wel organisch voort, maar bij die is er geen bepaalde generatie. Hun embryo kan buiten de moeder om bestaan en uitkomen. Is bij den vogel het ei eenmaal naar buiten, dan kan dat ook zonder moeder blijven.

Nu heeft men wel opgemerkt, dat de walvisschen toch zoogdieren zijn en geen ei leggen maar hun jong baren; en dat is ook zoo; doch pan heeft dan ook eigenlyk niet met het dier, dat wij walvisch noemen, te maken. Dat het zóó vertaald is, komt alleen daarvandaan, dat men tijdens de Staten-overzetting eigenlijk geen ander groot dier kende dan den walvisch. Maar in de landen waai de Heilige Schrift ontstaan is, zijn zelfs eenvoudig geen walvisschen. Ze hooren in een toen nog geheel onbekende wereldstreek thuis. Bij pl"l moet men dus niet aan walvisschen denken maar aan monsters.

Dooi de genei atie en het aan het licht komen van het psychische leven is dus het gebeurde op den zesden dag van dat op den vijfden onderscheiden.

En daar komt dan de mensch bij, die ook, als we 't nu eens zoo mogen zeggen, zoogdier is en een ziel heeft. Doch bij hem komt daar nu iets decideerends bij. Terwijl al de andere wezens tot de sfeer der aarde beperkt blijven, komt de mensch niet uit de aarde voort, maar neemt God zelf het stof der aarde, en vormt hem nu uit den hemel naar het beeld Gods. Zoo sluit zich hier de keten der aardsche dingen aan het hemelsche leven daarboven aan. Hemel en aarde uit vers 1 keeren, na eerst uiteen te zijn gegaan, hier weei tot elkaar terug. Wat uit God was keert nu tot God weder.

len slotte dient hier nog te worden gewezen op het principieele verschil in voeding, gelijk dat uit vs. 29 en 30 blijkt: „EnGodzeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de gansche aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze! Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven." Opmerkelijk is hier, dat het groene kruid gegeven wordt tot spijze rvn SaS. Ook de wilde dieren zijn dus oorspronkelijk niet carnivoor geschapen. En dat wordt bevestigd door het feit, dat ze tot Adam

Sluiten