Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

onderstelt, die het consilium praeconceptum ontwierp en de macht bezit om dienovereenkomstig de dingen te doen worden. Zoodoende komt men toch weer tot God en tot den raad der Schepping terug, en blijven we alleen staan voor dit dilemma, of God dit Zijn plan heeft uitgewerkt door het uit met kracht toegeruste atomen van lieverlee tot hoogere volkomenheid te laten opklimmen, of wel dat Hij zijn bestel heeft uitgevoerd door Zelf rechtstreeks niet alleen de simplicita maar ook de composita tot aanzijn te roepen. Het verschil tusschen de twee termen van dit dilemma maakt geen onderscheid voor de wijsheid, majesteit en almacht Gods. Deze blijven bij beide onderstellingen even groot en ongerept. Feitelijk daarentegen stuit het eerste stelsel af op de onmogelijkheid om het organische uit het anorganische te verklaren, op de ongerijmdheid om den mensch te verstaan als resultaat van het proces in plant en dier. Bovendien is deze onderstelling daarom nooit voor empirisch bewijs vatbaar, omdat de catena rerum gansch onvolkomen is, en de reeks overgangen die hierbij ondersteld worden niet zijn waar te nemen noch door experiment te realiseeren.

Resultaat blijft derhalve, dat de voorstelling van Gen. 1 en 2 ook met het oog op de jongste wetenschappelijke onderzoekingen het bestaande niet alleen beter dan de evolutieleer verklaart, maar ook verklaart wat zij niet verklaren kan. Hieruit volgt tevens, dat de soorten principieel zijn, waarbij het intusschen een open vraag blijft, of wij niet nu soort noemen veel wat niet oorspronkelijk door God als soort geschapen is, maar als latere varieteit van de oorspronkelijke soorten afweek. Hieromtrent nu kan de Heilige Schrift ons geen uitsluitsel geven, en moet men afgaan op de geologische vondsten.

Deze slotparagraaf behandelt de kwestie, hoe, buiten de bizondere openbaring om, de volken tegenover het ontstaan der dingen positie hebben genomen.

En dan zij in de eerste plaats opgemerkt, dat overal waar men komt en een traditie is, men vindt, dat de vraag naar het ontstaan der dingen de geesten altoos heeft bezig gehouden. De pogingen in het begin dezer eeuw aangewend om het denken daarvan af te trekken en tot berusting in de onwetendheid te brengen zijn telkens weer onhoudbaar gebleken. De mensch wil er nu eenmaal over denken. En onze eeuw zelve eindigt met in het evolutiestelsel een oplossing voor die vraag te zoeken.

Sluiten