Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

eenheid in de veelheid. Die tweede periode echter raakt ons hier nu minder. Voor ons onderwerp is de eerste periode van meer belang.

In die eerste periode dan hebben de Grieken drie phasen doorloopen:

1°. een naturalistische en realistische.

2°. een idealistische.

3°. een vermenging van die beide.

1°. Vooreerst had men de Jonische philosophen. Het waren volslagen ongeloovige menschen. Met de volksreligie hadden ze geheel gebroken, zonder daarvoor een hoogere ideale religie in de plaats te brengen. Ze waren menschen, die in het materieele leven hun voldoening zochten en vonden. Weelderig van aanleg, leefden ze in en voor de natuur. Het geld was hun genotmiddel. Ze vonden in het schoone meer genot dan in het ethische. Van die levensopvatting nu draagt de Jonische school het stempel en karakter.

2°. Tegenover die Jonische staat de Dorische school (Athene en Sparta). Was de Jonische school weelderig, de Dorische was sober; was de Jonische slap van levensopvatting, de Dorische gestreng. In alles ging die tegenstelling door. De Joniers aten lekker, de Spartanen stelden zich tevreden met soep. En ook in de architectuur kwam diezelfde tegenstelling uit. De Dorische zuil wil gansch eenvoudig in de zuil de idee van het dragen uitspreken. De Jonische zuil moest vooral mooi worden. Diezelfde tegenstelling nu heeft ook op de philosophie ingewerkt. Alleen maar: de naam is nu anders. We spreken niet van de Dorische, maar van de Eleatische philosophie. Ook Pythagoras hoort er toe. De Jonische kosmologieën zijn er alle op uit om met de materie als het eeuwig zijnde te beginnen. Daaruit wordt heel de kosmos opgebouwd. De Dorische school daarentegen neigt tot wegcijfering van de stof, en zoekt alleen den vorm der dingen. Men kan toch aan een bloem b.v. vorm en stof onderscheiden. De vorm is het beheerschende element van de stof. En al naar gelang men zich nu aan de stof of aan den vorm hecht, is men realistisch of idealistisch. Bij de Joniers is dat realisme eigenlijk overal hylozoisme (van vXrj stof, en leven). D. w. z. dat het leven niet verklaard wordt als in de stof door een hoogere macht ingebracht, maar dat stof en leven hetzelfde is. Dat is dus de grondidee, die bij allen te vinden is. Maar nu treden er verschillende elementen op den voorgrond. Bij Thales het water; niet alsof door hem alles uit het water verklaard wordt, maar omdat het water in zijn drie verschijningen van ijs, vloeistof en damp bewijst, hoe éénzelfde stof in drie gestalten kan optreden. Zoo was het water hem beeld, hoe in heel de schepping de stof zich onder invloed van buiten transformeeren kan in allerlei formaties. Anaximander noemde to cmsiqov als het principium, de stof, die aan al de vormen ten grondslag ligt. Anaximenes stelde als

8

Sluiten