Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijkheid der tentoonstelling klimt het bedrag, en het is begrijpelijk dat, waar voor de groote Luikschetentoonstelling van 1905, 30.000 kronen beschikbaar werden gesteld, voor de Nederlandsche, die op zooveel bescheidener voet was ingericht, niet meer dan 6000 kronen werden toegestaan. Dat het niet aan liefhebberij ontbrak, bewijst het feit dat zich 52 sollicitanten aanmeldden, werkzaam in 2o verschillende vakken. Van deze werden door de Regeering 16 uitgekozen, nadat evenals bij de andere subsidien aan ambachtsnijveren, den Handwerkersbond om advieswas gevraagd. Die 16 personen waren : 1 behanger, 1 boekbinder, 1 biljardmaker, 1 blikslager, 2 goudsmeden, 1 horlogemaker, 2 houtsnijders, 1 koperslager, 1 kuiper, 1 looier, 1 meubelmaker, 1 schoenmaker, 1 speelgoedmaker, 1 touwslager.

Daar zij geen van allen de Nederlandsche taal machtig waren, is het begrijpelijk dat zij een begeleider verzochten. Als een bewijs hoe goed in Zweden begrepen wordt dat klein-nijverheid en groot-nijverheid geenszins vijandig tot elkander behoeven te staan, integendeel elkander moeten steunen, kan het feit dienen dat de heer Ljunggren — groot industrieel — zich aanbood op eigen kosten als begeleider te strekken.

Dit was een groot voordeel voor de subsidianten, niet

het minst omdat het den heer Ljunggren door zijne positie gemakkelijk viel hen introducties bij verschillende fabrikanten te bezorgen. Niet enkel door de tentoonstelling, doch ook op vele andere wijzen leerden zij aldus de Nederlandsche nijverheid kennen, en werd zoodoende in ruime mate het doel bereikt waarvoor dergelijke beurzen

worden verstrekt.

Moge de wijze waarop Zweden door reisbeurzen liaie klein-nijverheid ter liulpe komt, door onze Regeering worden nagevolgd ! En niet minder wensclielijk is het dat onze groot-industrieelen het voorbeeld ter harte nemen van den Zweedschen groot-industrieel, en evenals de lieer Ljunggren onze ambachtslieden met raad en daad bij staan !

Sluiten