Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiterlijke bewijzen voor den goddelijken oorsprong van het Christendom; 30. over de instelling der Kerk door Christus; 4°. over het feit, dat de geloofswaarheden ongerept en onveranderd tot ons zijn gekomen; 5°- over het wezen en de natuur van de geloofsakt. ■—

I. Ac primum quidem Dewn, rerum omnium principium et jinem, naturali rationis lumine per ea quae facta sunt, hoe est per visibilia creationis opera, tamquam causam per effectus, certo cognosci, adeoque demonstrari etiam posse, profiteor".

«Vooreerst belijd ik, dat God, het begin en het einde aller dingen, met het natuurlijke licht des verstands door middel van het geschapene, d. i. door middel van de zichtbare werken der schepping, met zekerheid kan gekend en tevens ook bewezen worden, als de oorzaak door de effecten".

Deze eerste stelling is gericht tegen de eerste hoofddwaling der modernisten, het agnosticisme. Het agnosticisme is de theorie der onwetendheid, der onkunde. Deze theorie leert, dat de rol van ons verstand een zeer bescheidene is. Volgens haar zou de geheele werkzaamheid ervan bestaan in het kennen en beoordeelen der dingen, die ons door de zintuigen worden voorgehouden. Alleen wat met de oogen gezien, met de ooren gehoord, met den tastzin getast, met den smaak geproefd en met den reuk waargenomen wordt, kan door het verstand gekend worden. Omtrent alles wat niet met de zintuigen wordt waargenomen, blijft het verstand onwetend, onkundig (a-gnostisch). Van het wezen der dingen, dat onder die zinnelijk-waarneembare verschijnselen verscholen ligt, weet het verstand derhalve niets. Evenmin van een onstoffelijke ziel, of van een boven de stof verheven God; want zij vallen niet onder het bereik der zintuigen. De rede is dus in een engen kring op-

Sluiten