Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tengevolge van hun Kantiaansch agnosticisme in botsing met de Vaticaansche definitie. Dit is de reden, waarom in den antimodernisten-eed aan die uitspraak opnieuw trouw

moet worden gezworen.

2. »Secundo, externa revelationis argumenta, hoe est facta divina, in primisque miraeula et prophetias, admitto et agnoseo tamquam signa certissima divinitus ortae christianae Religionis, eademque teneo aetatum omnitim atque hominum, etiam hujus temporis, intelligentiae esse maxime accommodata .

»Ten tweede, ik neem aan en erken de uiterlijke bewijzen voor de openbaring, namelijk de goddelijke werkingen, vooral de wonderen en profetieën, als de zekerste teekenen voor den goddelijken oorsprong van den christelijken godsdienst, en ik houd ze als ten zeerste passend voor het verstand van alle tijden en menschen, ook van dezen tijd .

Kant had in zijn Kritik der reinen Vernunft de onmacht der menschelijke rede om zich boven het zinnelijk-waarneembare te verheffen opgesteld, en diensvolgens de gangbare argumenten voor het bestaan van God gezamenlijk weggeworpen; eveneens had hij, zooals van zelf spreekt, aan de bewijzen voor een onsterfelijke ziel en voor de vrijheid van den menschelijken wil alle kracht ontzegd. Toch wilde hij de overtuiging van Gods bestaan, van een onsterfelijke ziel en van een vrijen wil langs een anderen weg weer trachten te redden. Wat het verstand volgens hem niet kan bewijzen, kan daarom toch wel als practisch zeker worden aanvaard. Al kunnen wij het niet brengen

ons verstand kunnen kennen, of dit nl. geschiedt door middel van een strikt wetenschappelijk bewijs of niet, - toch behoort de bewijsbaarheid van Gods bestaan tot de waarheden, die door geen katholiek kunnen geloochend worden; hetgeen blijkt uit de zooeven aangehaalde veroordeelingen van Bautain en Bonnetty door de Romeinsche Congregaties.

Sluiten