Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiteenzetting van het vierde punt van het eerste deel. Volgens de modernisten behoeven, zooals wij daar zagen, de dogma's van tijd tot tijd herziening, en wel om twee redenen. Vooreerst wijzigt zich door de ontwikkeling het religieus gevoel; en ten tweede het wetenschappelijk denken van den mensch gaat onophoudelijk vooruit. Daar de dogmatische formulen nu, objectief genomen, symbolen zijn van dat religieuse gevoel, en subjectief kenmiddelen van het verstand, moeten zij dientengevolge van tijd tot tijd noodzakelijk gewijzigd worden; want als symbolen bezitten zij slechts een uiterst onvolledige overeenstemming met het afgebeelde gevoel, en als kenmiddelen vallen zij onder de controle der wetenschap, die ze dus bij haar vooruitgang als verouderd kan verwerpen.

De kerkelijke autoriteiten houden echter aan de oude formulen en opvattingen vast; en zoodoende zal het volgens de modernisten reeds daarom alleen meermalen moeten gebeuren, dat hare voorstellingen in strijd komen met de eigenlijke feiten. Daarbij komt, dat de geschiedenis als zoodanig zich alleen maar bezig houdt met natuurlijke feiten, en dat dus bovennatuurlijke dingen, zooals de Godheid van Christus, wonderen en profetieën, buiten haar terrein liggen. Dit is de leer van het agnosticisme, zooals wij zagen in het eerste punt van het eerste deel. Wanneer de Kerk dus de Godheid van Christus en zijne bovennatuurlijke werkingen toch volhoudt, doet zij uitspraken, die niet zijn overeenkomstig de feiten der historie. De historische Christus is een geheel andere dan de dogmatische Christus.

2. tiDamno quoque ac rejicio eorum sententiam, qui dicunt, christianum hominem eruditiorem induere personam duplicem,

Sluiten