Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nationaliteits- of liever lokaliteits-gevoel, het ruimer besef van een algemeene menschelijkheid ontwikkeld. In den nieuwen tijd, ik bedoel, sinds en door de geweldige verkeersuitbreiding die in de laatste eeuwen plaats greep, werd dit bewustzijn van menschelijke eenheid steeds sterker, doordat het zich ook in het praktisch-economisch leven beter kon openbaren. Er heeft zich een grootsch internationaal maatschappelijk leven, met een ingrijpende verdeeling van arbeid, geestelijk en ekonomisch, ontwikkeld ; met andere woorden: het maatschappelijk leven van iedere natie is thans met dat van alle andere naties ten nauwste verbonden. De bevolkingen der beschaafde naties zijn voor elkaar sinds lang niet meer rechtlooze barbaren, maar in zeer concreten, praktischen zin broeders, die zich in kuituur over het algemeen volkomen met elkaar gelijkwaardig weten en eikaars hulp behoeven. Voor deze moderne beschaafde naties, wier inwendig leven berust op moraliteit, wier eigen bestuur berust op recht, bestaat de noodzakelijkheid van wederzijdsche berooving met, en evenmin de noodzakelijkheid elkaar te overheerschen en te onderdrukken. Voor hen heeft de vroeger onderling gewelddadige „strijd om het bestaan" den hoogeren vorm aangenomen van gezamenlijken en geestelijken strijd tegen de nog onbeheerschte natuurmachten. Althans wij leven in het tijdperk waarin die omslag bezig is zich te voltrekken. Bijgevolg moet ook de oorlog tusschen deze moderne rechtstaten meer dan ooit vroeger gevoeld worden als een kwaad. En dit is ook blijkbaar het geval, want meer dan ooit werd er in den nieuweren tijd gedacht over middelen om er aan te ontkomen.

Reeds Erasmus (1467—1536) wijst op het onzinnige van den oorlog. Suarez (1548—1617) voorlooper van Hugo de Groot, betoogt dat er een belangen- en kuituurgemeenschap tusschen de verschillende naties bestaat en dat het noodig en mogelijk is voor de bevordering daarvan algemeene regelingen te scheppen die alle partijen kunnen aanvaarden. Montesquieu (1689—1 755) merkt op dat de oorlogen in zijn tijd geheel anders zijn in hun uitwerking ten opzichte van handel, verkeer en kuituur dan de oorlogen in de oudheid. Voltaire (1694—1778) laat niet na den oorlog en de instituten die hem veroorzaken te geeselen waar hij kan. „Pest en hongersnood", zegt hij, „zijn slagen van het noodlot". „Maar de oorlog wordt door menschen gemaakt, door drie- tot vierhonderd personen die de wereld beheerschen en onder den naam van vorsten en ministers bekend zijn." Holbach (1 727— 1 782) schrijft in de Encyclopaedie: „De oorlog spaart niet eens de overwinnaars. Ook de gelukkigst gevoerde oorlog is een ramp." Turgot (1727—1781) eischt rechtvaardigheid, redelijkheid en moraliteit als grondslagen voor de gemeenschap der staten. Hetzelfde Herder, Hume, Bentham, Kant en tal van anderen.

Al deze stemmen gingen reeds op in den tijd toen de staten nog tot inwendige eenheid moesten komen; zelfs tóen werd dus de oorlog door de diepste geesten als dwaas, onwaardig en schadelijk beschouwd. Laten zij hun tijd, zooals de tragen van geest plegen te zeggen, „een eeuw vooruit" geweest zijn, wat moet dan nu ons oordeel wel zijn? Waarlijk, nü, in dezen tijd, is er moeilijker dwazer meening denkbaar dan dat staten afzonderlijke productieve en commercieele eenheden zijn die tegenover elkaar moeten staan, als twee in één straat wonende kruideniers, die eikaars handel en industrie moet vreezen en daarom elkaar zooveel mogelijk behooren te fnuiken. Hoe zinloos het eigenlijk is te spreken van bijvoorbeeld den Duitschen handel, de Fransche industrie, de Engelsche geldmarkt, blijkt uit de volgende aanhaling uit een pamflet van Norman Angell, den man die wel het scherpst de ekonomische wanbegrippen, de groote illusies van dezen tijd, heeft in het licht gesteld en gekritiseerd. „Wat bedoelen wij toch", zoo vraagt hij, „wanneer wij spreken over den Duitschen handel in internationalen zin? Nemen wij bijvoorbeeld een ijzerindustrieel te Essen, die lokomotieven bouwt voor een Argentijnschen lokaalspoorweg,

Sluiten