Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvoor het kapitaal te Parijs is opgebracht en die noodig werd tengevolge van den uitvoer van /\rgentijnsche wol naar üradford, waar de textiel-industne zich sterk ontwikkeld heeft, dank zij den grooten verkoop in de Vereenigde Staten, waar tengevolge van de intensieve ontwikkeling van den landbouw in het Westen' groote schapenweiden verdwenen en daarom de wolprijzen buitengewoon gestegen zijn. Z.onder het in Parijs opgebrachte geld (dat misschien zijn oorsprong te danken heelt aan een goeden koren- of wijnoogst, die in Londen of New-York werd verkocht) en zonder de wol die de Bradfordsche fabrikant noodig had (die misschien voor zijn kleeden en dekens een goed afzetgebied heeft gevonden bij de bergbewoners der Peruviaansche IVfontana, welke bergbewoners koper produceeren voor een kabel naar China, waar tengevolge van de stichting der republiek en de opkomst der moderne beschaving, bij de couranten een behoefte is ontstaan naar kabelnieuwtjes uit Luropa) zonder deze en nog een geheele reeks van soortgelijke faktoren, zou die ïjzerindustrieel te tissen hoogstwaarschijnlijk niet in staat geweest zijn om zijn locomotieven te verkoopen. Maar hoe kan men dan dezen verkoop een stuk „Duitsche handel" noemen, dat concurreeren zou met den Engelschen, hranschen of Amerikaanschen handel?"

1 ot zoover INorman Angell. Wilt ge een ander voorbeeld ter illustratie van de onderlinge alhankelijkheid der volken van eikaars industrie en handel? Plet waren Duitsche firma's die de Russische vloot hielpen herbouwen; het zijn filialen van Engelsche firma s die de Italiaansche dreadnoughts bouwden, waarvan niemand weet tegen welken vijand zij misschien nog zullen moeten vechten; en de voornaamste

ngelsche, Duitsche, Fransche en Amerikaansche wapenindustrieën vormden tezamen de Dynamiet-trust. De volken mogen elkaar haten en bestrijden, zij die van dien haat en strijd leven weten beter wat eendrachtige samenwerking is.

Hoe komt het nu dat er, niettegenstaande deze ingewikkelde internationaliseering van het maatschappelijk leven, waardoor elk land van elk ander land direkt afhankelijk is, toch nog oorlogen worden gevoerd? De meeste menschen hebben het in tijd van vrede te druk om zich met deze vraag het hoofd te breken, terwijl zij in tijd van oorlog voor alles, behalve redelijk nadenken vatbaar zijn. Zoolang er vrede heerscht halen zij de schouders op, zeggen: „ik weet het niet", of maken zich er af met een frase over de „menschelijke natuur", die „nu eenmaal zoo is", over „diepgewortelden rassenhaat", of geven het even imponeerende orakel: „ekonomische noodzakelijkheid, vitale belangen van de naties . Als het oorlog is voegen zij bij deze dooddoeners nog een reeks van frases over idealisme, eer, roem, grootheid enz. van hun land en doorspekken die met zulk een vervaarlijk gebral over hun eigen dapperheid, trouw, edelmoedigheid en voortreffelijkheid en over de lafhartigheid, sluwheid en verachtelijkheid van den vijand, dat men alleen reeds aan dit wansmakelijk gebazel bespeurt met volslagen verbijsterden te doen te hebben. Deze gevoelsargumentatie moge nu logisch geheel waardeloos zijn, praktisch is zij het allerminst; ik geloof dat juist deze redelooze, atavistische opwinding het mogelijk maakt dat er voor de moderne oorlogen, die zooals ik hoop aan te toonen, géén noodzakelijke oorzagen hebben, toch nog zoo gemakkelijk aanleidingen worden gevonden.

Maar bepalen wij ons tot de meer logische argumenten. Plet beroep op de verdorvenheid der menschelijke natuur, uitvlucht van onnadenkende moedeloosheid, acht ik weerlegd door de opmerkingen waarmede ik mijn lezing begon. Doch nu die ingewortelde, onuitroeibare rassenhaat! — Ik wil natuurlijk niet ontkennen dat er tusschen menschen van zoogenaamd verschillend ras eenige physieke en psychische verschillen beslaan en dat het besef van die verschillen een eenmaal op andere gronden gemotiveerd gevoel van vijandschap kan versterken; zooals in dezen tijd blijkbaar het geval

Sluiten