Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weldigen, om niet zelf overheerscht of overweldigd te worden". U ziet, al dadelijk worden hier de materieele argumenten met „ideëele" motieven versterkt, als men tenminste eerzucht, arrogantie, streverschap en zucht tot intimideeren (de elementen waaruit de „flinkheid" der oorlogskraaiers bestaat) „ideëel" wil noemen.

De primitieve voorstelling, niet waar, dat de welvaart, de roem, de grootheid van een natie afhangen van den omvang van het grondgebied, het aantal volken dat „beheerscht" wordt. Een begrip van grootheid, een imperialisme, dat in vroeger eeuwen nog recht van bestaan had bij die relatief beschaafde volken wier bestaan werkelijk door barbaarsche buren werd bedreigd, die hun kuituur werkelijk slechts konden handhaven en uitbreiden door onderwerping, assimileering en schadeloos maken van die gevaarlijke buren, maar dat voor moderne staten, omringd door even beschaafde naties, die eikaars kuituur bewonderen en gewillig en gretig overnemen, niet alleen alle zedelijke waarde mist, maar bovendien voor de heerschende natie zelf schadelijk is en noodlottig worden moet. Het moderne rechtsbewustzijn rechtvaardigt alleen die heerschappij die uitvloeisel is van den eigen wil der onderdanen en het is een van de overgeërfde ziekten die aan de tegenwoordige grootstaten knagen, dat zij nog steeds gebied beheerschen tegen den zin der opwonende bevolking en zonder dat er voor hen zelf ook maar de minste eer of het geringste voordeel mee valt te behalen. De motieven die destijds tot die overheersching geleid hebben mogen van werkelijk ekonomischen of meer nog van strategischen aard geweest zijn, de motieven tot handhaving van dien overgeleverden toestand of tot het scheppen van nieuwe dergelijke toestanden zijn atavistisch-imperialistisch, zucht tot den baas spelen, tot bedillen, massregeln bij de heerschende kasten. En het patriottisch publiek laat zich nog gauw en graag door zulk een valsch imperialisme meesleepen. Het vleit immers ook zijn verborgen eigendunk, het doet ook zijn hart zwellen bij de gedachte dat het vaderland met „krachtige hand" heerscht over een of ander ongelukkig volk dat zijn eigen nationaliteit even lief heeft.

Minder zuiver, hoewel niet minder duidelijk, komt deze psychologische factor van het imperialisme uit bij het koloniseeren. Hier is machtsuitbreiding wel het uitgesproken doel, maar wordt zij toch zonder uitzondering voorgesteld als door het levensbelang der naties geëischt. Wel voelen zich natuurlijk de eerste kolonisten, soldaten en concessiejagers echte conquistadores, maar de veilig thuisblijvende massa raakt niet zoo gauw in vaderlandslievende geestdrift over de verovering van een onbekend tropisch of arctisch gebied en de onderwerping van wat wilde of halfwilde volksstammen. De voorstelling van materieele winst en voordeel moet hier het imperialisme te hulp komen. Het heet nu dat de kolonies noodig zijn om „nieuwe markten te ontsluiten voor de nationale industrie" en om het moederland ,,te ontlasten van zijn overtollige bevolking".

Deze argumenten nu zijn volkomen verouderd. Zij v aren van eenige kracht toen de staten nog voor eikaars handel gesloten of moeilijk toegankelijk waren en toen emigratie op groote schaal onmogelijk was. Maar voor den modernen beschaafden staat, waarvan de inwoners vrij verkeer en recht van vestiging hebben in alle andere beschaafde staten, of in elk geval krachtens een of ander tractaat gemakkelijk kunnen verkrijgen, gelden zij niet meer. In werkelijkheid laten zich dan ook veel meer handelaars en industrieelen neer in allerlei vreemde landen dan in de eigen kolonies en is de fractie der overtollige bevolking die naar de kolonies afvloeit steeds buitengewoon klein in vergelijking met het aantal emigranten dat uitwijkt naar Canada, Californië, Argentinië, Australië, zonder daarbij het moederland millioenen en milliarden te kosten. In zijn werk „Europa den Europaern (1913) zegt Otto Umfrid over de Duitsche kolonisatie: „Merkwaardig is het dat de Duitschers zich op alle

Sluiten