Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*erwaardige derde hypotheek. Het zal wel geen betoog behoeven, dat het creëeren van dergelijke promessen een afkeurenswaardige daad is, cn dat het een fout moet geacht worden van financieele kantoren, indien zij bereid zijn in eenigszins belangrijke bedragen zoodanige promessen in disconto te nemen. Aan afwikkeling van dergelijke credieten valt in gewone omstandigheden wel haast niet te denken, en du3 reeds daarom is de vorm van een binnen enkele maanden afioopende promesse op eich zelf reeds onjuist gekozen; maar bovendien wordt do disconto-markt bedorven, Indien dergelijk soort van papier te veel daarin zou voorkomen.

Do oorlog heeft in dit opzicht ook merkwaardigo wijzigingen gebracht. Aan den eenen kant zijn vele kwijnende zaken onverwacht tot bloei gekomen; bouw-maat«ehappijen, die met dergelijke stroppen zaten, hebben hier en daar kunnen ondervinden, dat de prijzen van huizen in die mate gestegen zijn, dat verkoop mogelijk kou worden, waaruit selfs die promessen, feitelijk verkapte derde hypotheken, zouden zijn af te lossen.

Het zou een groote fout zijn, indien deze buitengewone tijd niet benut werd om tot liquidatie van dergelijke posten te komen, en voor zoover De Nederlandsche Bank betreft, heeft dezo dan ook met kracht er op aangedrongen, dat liquidaties in. die richting thans worden bereikt. De Bank heeft «ich zelfs verplicht gezien nadrukkelijk te waarschuwen, dat, alhoewel zij in den tijd van 'do hevige crisis wel tijdelijk dergelijk papier heeft aangenomen om de daarbij betrokkenen in die moeilijkheden te steunen, plaatselijke bankiers van harte te steunen in het volhouden van hun bestaan, vooral omdat het met den eigenaardigen toestand van ons land zeker een geluk is te achten wanneer niet alle zaken in enkele groote lichamen worden geconcentreerd, doch ook plaatselijke financieele instellingen blijven bestaan; maar aan den anderen kant mag de Bank niet medewerken tot het in het leven roepen van een crediet-systeem, dat later zou blijken ondeugdelijk te zijn opgeeet, en dan tot een crisis zou kunnen leiden, veel erger, dan die, welke wij in 1914 hebben doorgemaakt. Het is dus hier met recht „gouverner c'est prévoir".

Da Nederlandsche Bank heeft zich dus aan den eenen kant voorgenomen om het crediet in het land zooveel mogelijk te steunen, doch aan den anderen kant, desnoods scherper dan vroeger, toe te zien op het disconto, hetwelk, lar.^s welken weg flan ook, aan haar zal worden aangeboden. Bij de beoordeelihg van dat disconto zal Biet meer voornamelijk worden gelet op *io gegoedheid van de handteekepingen op den wissel of promesse voorkomende, doch ook wel degelijk op de oorzaak van het ontstaan van den wissel en do promesse, en zelfs papier, voorzien van krachtige teekeningen in het land zal door de Bank eventueel geweigerd worden, indien zij meent, dat de oorzaken van het ontstaan van dat papier na gezette overweging niet juist kunnen worden geacht. Ter voorkoming van latere mogelijko teleurstellingen zal het wel goed isijn, dat credietgevers en credietnemers, van welken rang zij ook mogen zijn in ons land, hiermeda bij voorbaat rekening houden.

Nog in andere richting heeft de disconteering zich in do laatste jaren in Nederland op bijzondere wijze ontwikkeld. Het is van algemeene bekendheid, dat, goed handelspapier, getrokken van het buitenland p» Nederland, en in Nederland betaalbaar, betrekkelijk schaars was. Do z.g. „aéceptingbusiness" van onze Nederlandsche banken en bankiers was niet zeer belangrijk, althans niet in vergelijking mét het buitenland. Do oorlogstoestand heeft nu voor Nederland ook eene geheel andere positie medegebracht tusschen de omliggende groote Rijken. Nederland is zelfs buiten zijn wil veel meer het centrale punt geworden, Eoowel voor da behandeling van allerlei zij in do toekomst soortgelijk papier onverbiddelijk zal bannen uit hare portefeuille. Een ieder moge dus gewaarschuwd erjn, dat, indien hij dergelijk papier toch in disconto zou nemen, hij daarmede een niet hij da bank discontabel papier in handen heeft gekregen.

Dit is slechts een voorbeeld uit, vele. Zoo zijn er ook andere credieten verleend, die feitelijk nimmer in den vorrn van promessen hadden gegoten mogen worden, en ook ten opzichte van dat papier moet thans iedero gelegenheid worden aangegrepen, om tot afwikkeling te komen, indien de debiteur ln gunstiger financieele omstandigheden is gekomen.

Èr is op-het oogenblik echter nog een ander gevaar, voor een deel voortspruitende uit de groote nieuwe concentraties der banken. Verschillende groote bankinstellingen ln het land hebben een aantal bestaande financieele kantoren in zich opgenomen. Dia concentratie heeft natuurlijk een goede *5Jdï, dat daarmede de tracht van hot

bank-kapitaal in het algemeen in ons land, nog bovendien versterkt door nieuwe emissies, veel grooter geworden is, waarvan on3 land in zijn geheel - ontegenzeglijk belangrijk kan profiteeren. Er zijn echter ook nadoelen aan verbonden, dat de concurrentie in het verleenen van crediet onwillekeurig daardoor nog meer verscherpt wordt. Plaatselijke firma's, die zich bij één van dergelijke concentraties nog niet hebben aangesloten, zullen allicht bevreesd zijn in het verder crediet-verleenen, en het zal eene gewone menschelijke eigenschap zijn van agenten dier concentraties, om zich verdienstelijk te maken door te trachten het gebied van zaken van het plaatselijk agentschap zooveel mogelijk uit to breiden. In die omstandigheden kan echter crediet allicht te ruim en te gemakkelijk worden aangeboden, en ook daardoor kunnen ernstige misstanden voor de toekomst ontstaan. De meeste stroppen worden voorbereid in tijden van ruim en goedkoop geld; de grondslag voor de meeste latere verliezen wordt dus dan gelegd. Daarom i3 het ook beslist noodzakelijk, dat men zich in dezen tijd goed rekenschap geeft van nieuwe credieten, die verleend worden, en men zal daarop nog scherper moeten toezien dan in gewone omstandigheden.

Ook op dit punt zal De Nederlandsche Bank noodzakelijk een woord moeten meespreken. Zij heeft zich voorgenomen om de zaken, alsook voor de afwikkeling van de financieele transacties, en het is niet te betwijfelen, dat, althans in den eersten tijd na den oorlog, ook voor Nederland in deze richting een ruim veld van arbeid zal blijven. Het is te hopen, dat de Nederlandsche financieele wereld deze taak met voldoende duidelijkheid zal inzien en zal medewerken om op gezohdo schaal de „acceptiug-business" te ontwikkelen. Natuurlijk moet op den voorgrond gesteld worden, dat dit op gezonde schaal moet geschieden; in die richting is al zóóveel meer ondervinding opgedaan tijdens den oorlogstoestand, en zijn reeds zóó vele nieuwo mogelijkheden geopend, dat wel te verwachten is, dat Nederland zich hiervoor voldoende zal voorbereiden. Ik kom hier op een zóó technisch gebied, dat het wel wènschelijk is, om slechts zeer in het kort do hoofdzaken aan te roeren. De appreciatie van den Nederlandsehen gulden tegenover de valuta's der omringende groote landen, heeft natuurlijk medegebracht eene opeenhooping cok van buitenlandsch kapitaal in ons land, doe?*» personen en instellingen van allerlei r?iag zich door het verkrijgen vfn een tegoed in Nederlandsche guldens trachtten te waarborgen tegen verlies uit verdere depreciatie voortspruitende. Daarbij komt, dat over de geheele wereld bij deze ontzagwekkende vernietiging van kapitaal door de oorlogshandelingen, algemeen het crediet zéér veel meer moet worden ontwikkeld, en alle Staten zijn er op uit, niet alleen in het eigen land, maar ook tegenover het buitenland, het scheppen van crediet te ontwikkelen. Ook deze omstandigheid zal medebrengen, dat Nederland, dat tot nog toe zoo gelukkig gespaard is voor de rampen van de oorlogsverwoesting, op den duur ook zijn wijze van crediet-verleenen aan het buitenland principieel zal moeten herzien. In do eerste plaats moet men natuurlijk oppassen, om niet in te groote mato en vooral geen ongewenscht crediet aan het buitenland te verschaffen. Ook met die voorzorg echter blijven nog zeer groote crediet-transactiea met de verschillende landen om ons heen, voornamelijk ook in het belang van het e.igen land, noodzakelijk, maar dan moet men ook van den aanvang af er op bedacht zijn, om de regeling van die credietzaken te brengen in een vorm, weiko op den duur ook voor onze geldmarkt de beste zal zijn. Onze geldmarkt zal in de toekomst zeer kunnen bloeien, wanneer wordt gewerkt volgens een deugdelijk systeem van geconfirmeerd crediet uit hét buitenland, waarbij de krachtigste buitenlandsche banken crediet openen in Nederland voor financieel sterke trekkers. Die geconfirmeerde credieten kunnen dan nog verder gesteund worden door deugdelijk onderpand, hetwelk in de eerste plaats zou moeten bestaan in de verschepings-papieren of in eene verpanding Van de handelswaren, die het onderwerp vormen voor de financieele transactie; met het oog op de buitengewone omstandigheden en de tijdelijke wenschelijkheid, om crediet van langeren duur dan den gewonen looptijd der wissels te geven, kan ook tijdelijk een onderpand van eerstof klasse beleggingswaarden in aanmerking komen, indien mén het eenmaal eens is over de wenschelijkheid oin dit crediet op zich zalf te verschaffen met het oog op het algemeen belang.

Do Nederlandsche Bank is in bet algemeen bereid in dergelijke zaken achter de banken en bankiers te staan, en zal trachten mede te werken, om die meer versterkte geldmarkt in Nederland in het leven te roepen. Zij zal zich dan echter bij iedere transactie het oordeel moeten voorbehouden of de transactie op aich zelve in het belang

van het algemeen is te achten, en of zij op grond daarvan voor die zaken achter de bankiers en banken kan gaan staan. Dan zal echter door dogenen, die eventueel op De Nederlandsche Bank willen terugvallen, om steun in de financiering hunner zaken, bepaaldelijk ook vóór het afsluiten van dergelijke zaken een overleg met haar gehouden dienen to worden, omdat, evenals in andere landen, ook hier in dit opzicht volgens vaste lijnen te werk moet worden gegaan, waarbij de . doorslag moet gegeven worden door de beantwoording der vraag of het algemeen belang medebrengt, dat dergelijke ongewone zaken in de tegenwoordige omstandigheden worden ondernomen. Do Nederlandsche Bank behoudt zich ten stelligste voor, bij latere aanvragen on4 beleening of disconteering hare medewerking te weigeren, indien dat overleg niet heeft plaats gevonden, en zij niet van het algemeen belang van de zaken, daaraan ten grondslag liggende, alsnog later kan worden overtuigd. Een vriendschappelijk overleg heeft reeds met velen voortdurend plaats gehad en heeft tot nu toe mogelijk gemaakt in deze moeilijke zaken een weg te vinden, waarvan wij allen op het oogenblik naar ons beste weten kunnen verklaren, dat wij overtuigd zijn onzen plicht te doen met dien weg tot nog too to hebben geëffend.

INDUSTRIE EN BANKEN.

DE HANDEL VOLGT DE ■ BANKEN. door Mr. Dr, J. P. VAN TIENHOVEN.

Directeur der Hotterdamsche Bankvereeniging.

Bij de bevordering der nationale welvaart speelt de industrie, als factor van productie, bet bankwezen, als factor van omloop der goederen, eene voorname rol. En, zooals alle economisch» factoren in hunne onderlinge wisselwerking tot bepaalde combinaties en uitkomsten leiden en ten slotte, naar den graad hunner harmonische ontwikkeling, de volkswelvaart op een zeker peil brengen, zóó is ook tusschen industrie en bankwezen een bijzonder verband en eene wederzij dsche beïnvloeding niet te miskennen.

Daarop nog eens te mogen wijzen bij de opening der Jaarbeurs te Utrecht, de eerste jaarmarkt, in Nederland gehouden, uiting van een groeiende nationale industrie, die naar verhooging harer productie en vergrooting van haaf afzet streeft, kwam mij aantrekkelijk en tevens nuttig voor.

Want wil de Nederlandsche industrie zich voorspoedig en krachtig blijven ontwikkelen, dan zal zij *— zulks in de komende tijden, die geheel-onder den invloed der ontwrichte economische verhoudingen zullen staan, meer dan ooit — behalve op eigen aanpassingsvermogen, op wegcijfering van eigen individualisme en op eigen drang tot aanéénsluiting, zeker ook moeten kunnen rekenen op den steun van een hecht gefundeerd bankwezen, dat aan de gestelde, steeds zwaardere eischen beantwoordt en derhalve zijne taak ook op dit bijzondere terrein naar behooren vervullen kan.

Omtrent omvang en beteekenis van die taak bestaat bij het groote publiek slechts; eene tamelijk nevelachtige voorstelling. Haar te preciseeren leidt er tóe, op de beide hoofdmomenten: kapitaalverschaf fing en credietverieening, de aandacht te vestigen.

Inzonderheid ten onzent werd het industrieele kapitaal veelal op de meest eenvoudige wijze bijeengebracht, door beschikbaarstelling van eigen middelen, door deelneming van familieleden en bevriende relaties, en menig belangrijk industrieel bedrijf rust nog op dezen primitieven finaneieclen grondslag. -.

Do :geringe elasticiteit van dezo basis, de onmogelijkheid, dikwijls om aldus te ontsnappen aan den circuius vitiosus, die in dea vorm van chronisch gebrek aan voldoende eigm middelen zoo menig industrieel omknelt, bracht gaandeweg steeds meer bedrijven tot het aanvaarden van andere constructies, dia uit hoofde van haar practischen opzet voor da grondvesting van nieuwe industrieën evenzeer bij voorkeur gekozen werden.

Als zoodanig kwamen de commanditaire vennootschap op aandeelen, de naamlooze vennootschap en de coöperatieve productievereeniging in zwang en het ia inzonderheid de tweede figuur, die het ingrijpen der banken pij de industrieele kapitaalverschaffing zoozeer rechtvaardigde en tevens uitermate vergemakkelijkte.

De plaatsing van het aandeelenkapitaal over een welhaast onbeperkten kring van personen, de verdeeling van het risico, de verhandelbaarheid var, het kapitaal, die door de met de publieke uitgifte samengaande noteering ter beurze mogelijk gemaakt werd, openden evenzeer de mogelijkheid tot versnelling van het tempo der uitbreiding

van bestaande cn der oprichting van nieuw» industrieën.

Ten slotte droegen de banken ook te onzent zorg, dat die mogelijkhei1 werkelijkheid werd. Lang achtergebleven, lang verstard in een nutteloos conservatisme, lang onwillig zich to spiegelen aan wat in andere landen plaats greep, slechts bereid tot critiek en niet tot navolging, breidde ook eindelijk hier te lande het bankwezen zich uit met het grooter worden der finantieele operaties en groeide de industrie mèt den opbloei van de banken. Hier trad eindelijk ook to onzent de wisselwerking duidelijk naar voren, in den aanhef dezes gesignar leerd.

Natuurlijk leidde deze loop van zaken ten slotte tot concentratie, die, in ons bankwezen reeds een feit, in de industrie zich aankondigt. Natuurlijk, immers concentratie is slechts een versneld tempo van uitbreiding, dio aan samenvoeging en overname van gevestigde bedrijven do voorkeur geeft boven langzamer opbouw uitsluitend uit eigen kracht.

In nauwelijks een zestal jaren heeft hierboven slechts even aangegeven proces zich te onzent duidelijk en blijvend ontwikkeld en is ten laatste door den oorlogstoestand krachtig bevorderd.

Een schijnbaar onbelangrijk en oorspronkelijk weinig opgemerkt feit heeft mijns inziens deze periode ingeluid; de introductie in 1910 van het preferent industrieel aandeel als beleggingsobject.

Tot dat jaar rustte de kapitalisatie der industrieele naamlooze vennootschap op twee peilers, het aandeel en de obligatie. Was reeds op deze wijze die zekere elasticiteit van kapitaalverschaffing gewaarborgd, die aan de naamlooze vennootschap inhaerent is, toch ontbrak blijkbaar een niet gemakkelijk te definieeren factor.

Het industrieel aandeel bracht den belegger het volle bedrijfsrisico, terwijl de industrieel het volle evenredig deel, zoo in de winsten door zijne energie en werkkracht behaald, als in de zeggingschap over de door hem gedreven onderneming, aan derden moest afstaan.

De industrieele obligatie gaf den belegger veelal geen hboger rendement, dan de door hem om hunne schijnbare soliditeit zoo geliefde buitenlandsche staatsfondsen, terwijl bovendien op eene enkele uitzondering na, het bedrijfsrisico nog zeer voelbaar op zijne belegging drukte. Immers, hoewel er zonder twijfel industrieele obligaties aan te'wijzen zijn, die door eene absolute, dat is niet van den bedrrjfsloop afhankelijk, hypothecaire dekking verzekerd worden, toch zijn de meeste dezer waarden 'bedrijfsobligatiën, die hare eigenlijke dekking vindon in den voorspoedigen gang van het bedrijf ên in het aandeelenkapitaal, dat in eerste lijn eventueele tegenslagen heeft op to vangen.

De „uitvinding" van het preferente industrieele aandeel nu, kwam op werkelijk merkwaardige wijze aan al dezo bezwaren tegemoet.

In winstuitkoering beperkt, liet het den industrieel grootendeels do vruchten van zijn bedrijf. De zeggingschap over de onderneming kon gemeenlijk, naar de opvatting van het betreffend ministerie, in hoofdlijnen aan de gewone aandeelhouders verzekerd blijven, althans zoolang eene goede leiding bevredigende bedrijfsresultaten bereikte, zoodat het preferente dividend uit do behaalde winst voldaan kon werden.

De obligaties eonef industrie, die tot uitgifte van preferente aandeelen overging, vonden daarin eene zeer gewaardeerde versterking harer dekking.

En ten slotte werd den belegger de gelegenheid geboden, op zoodanige wijze in Nederlandsche ondernemingen deel te nemen, dat het eerste bedrijfsrisico hem niet meer bedreigde en hem een rendement, oorspronkelijk van 6 %, nader, inzonderheid bij da uitgifte van winstdeelende of van tweede preferente aandeelen van 7 % en meer, in uitzicht werd gesteld, dat zeer gunstig uitstak boven het rendement van buitenlandsche staatsfondsen.

Juist terzelfder tijd werden bovendien met deze laatste papieren slechte ervaringen opgedaan, koersdalingen, dio ouder den invloed van de stijgendo politieke Onrust over dè geheele wereld steeds bedenkelijker omvang aannamen, om ten slotte bij het uitbreken van den Europeesclien oorlog1 tot eene debacle te leidén.

Wél vind ik vóór het jaar 1910 reeds da preferente aandeelen van een zestal mijnen, twee petroleummaatschappijen, drie tabaksondernemingen, een drietal tramwegmaatschappijen, eene cultuuronderneming, eene stoomvaartmaatschappij en eeno industrieele onderneming ter beurze van Amsterdam genoteerd, maar geen dezer papieren beantwoordde aan de eischen, dia men aan de creatie van een gezond preferent industrieel aandeel stellen moet. Zij dankten hun ontstaan aan reorganisaties, zoóals de preferente aandeelen der Stoomvaart-Maatschappij „Zeeland", uitgereikt aan de erfgenamen van Prins Hendrik bij de reorganisatie van 1SS2, de preferente aandeelen van da Cttl*

Sluiten