Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meene politie, dan is de voorsvaarde der dienstbaarheid vervuld.

Dat was ook de bedoeling van deu wetgever, de bedoeling van den Minister van Binnenlandscbe Zaken , van Thokbecke. I ^ „HeI Rijk" — zoo sprak hij in de zitting van 21 Mei 1851 — /Jaat de plaatselijke ambtenaren, daar waar zij voor 's Rijks dienst /moodiq zijn, Rijksdienst vervullen binnen het gebied der gemeente. Het Rijk heeft daarop alleszins aanspraak. Bal is de band tusschen gemeente en Rijk, welke nimmer mag ontbreken

Ook ten aanzien van den omvang van de diensten, welke van het 1 dienstbare personeel der gemeentepolitie kunnen worden gevergd, stelt de Gemeentewet geene grenzen.

Dat die omvang zeer uitgebreid zoude zijn, stond bij den gemeentewetgever, stond tijdens het tot stand komen van de Gemeenteweten van het Koninklijk besluit van 1851 nog meer op den voorgrond dan thans.

Daargelaten het gezag der algemeene politie , dat in artikel 190 alinea 1 zelfstandig wordt aangeduid, toeh dacht men het zich tijdens het tot stind komen der Gemeentewet niet anders dan dat de rijkspolitietaak in haar geheel feitelijk uitgevoerd zoude worden door het personeel der gemeentepolitie in dienstbaarheid.

En zulks is niets meer dan natuurlijk, want destijds bestond — met uitzondering van een beperkt corps marechaussee — de geheele politie uit het gemeentelijk politiepersoneel. De rijksveldwacht werd eerst meerdere jaren later ingevoerd en de uitbreiding der marechaussee had eerst in den lateren tijd plaats.

Thorbecke ging van het denkbeeld uit dat dezelfde ambtenaren , d. i. die van de gemeentepolitie, voor de beide takken van politie zouden waken.

„ Uit dien hoofde" —schreef hij — is het wenschclijk dat dezelfde ambtenaren verpligt worden voor de eene, zoowel als voor de andere soort te waken. 1)

Van denzelfden zin getuigen de aanschrijvingen en circulaires ter invoering van den maatregel van inwendig bestuur van 17 December 1851 (Staatsblad n'. 91), opgenomen in het Algemeen Politieblad van 1852, welke, zooals reeds is opgemerkt, van den ambtgenoot van mr. Thorbecke , van den Minister van Justitie Nedermeijer van Rosenthal , afkomstig zijn.

Zoo leest men in de aanschrijving aan de Commissarissen des Konings ter aankondiging van het besluit van 1851; 2)

x_.Alle uitvoering berust in den regel bij het personeel van plaatselijke polïïïê. Dat personeel namelijk, is tevens, ingevolge art. 190 Gemeente-

1) Francken bladz. 380. Memorie van Beantwo.nvling op art 190.

2) Algemeen Politieblad bladz. 22.

Sluiten