Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene laatste vraag, welke zich ten aanzien van de beteekenis van de dienstbaarheid nog voordoet, betreft -den invloed van het gezag over de algemeene politie op den toestand van het personeel der gemeentelijke politie.

In de reeds aangehaalde aanschrijving aan de Commissarissen des Konings, dd 17 Dec. 1851 1) komt o. a. voor: „Het gezag der rijkspolitie zal over het gemeentelijke als zoodanig kunnen beschikken , docli het personeel moeten gebruiken zoodanig als het zich bevindt

Hebben die woorden de beteekenis dat het r\jkspolitiegezag hoegenaamd geen invloed op eene goede samenstelling van het gemeentelijk politiepersoneel zoude kunnen uitoefenen ; of wel deze dat, feitelijk. het rijkspolitiegezag zich zal tevreden moeten stellen met het personeel dat op het oogenblik dat de diensten verricht moeten worden , bestaat ?

Het eerste kan bezwaarlijk het geval zijn. In dezelfde aanschrijving toch volgen bijna onmiddellijk de volgende woorden: „Er'bestaat dus volstrekte noodzakelijkheid dat dit personeel bruikbaar zij voor den dienst, die bij de wet of wettelijke verordeningen aan de de politie, zoo gemeentelijke als rijkspolitie, is opgedragen".

Ook brengen de artt. 7—9 van het besluit van 1851 mede, dat de Regeering van het denkbeeld is uitgegaan, dat van Rijkswege invloed zoude worden uitgeoefend op het gehalte van het gemeentelijk politiepersoneel.

Hetzelfde volgt uit de benoeming van de commissarissen van politie door den Koning, terwijl uit de geschiedenis der wet blijkt 2), dat de beslissing dir noodzakelijkheid om hier of elders een commissaris van politie te vestigen nan liet algemeen bestuur dient te verblijven, alsmede uit de benoeming der veldwachters door den Commissaris des Konings en van de dienaren van politie door den burgemeester.

De Commissie stelt zich voor nader op dit laatste punt terug te komen bij de behandeling van het personeel, maar moet nu reeds tot haar leedwezen constateeren , dat de invloed van Rijkswege op het gehalte en de sterkte van het gemeentelijk politiepersoneel uitgeoefend , niet zeer krachtig is geweest en dat noch het aantal commissarissen van politie, noch het aantal en het gehalte van de gemeenteveldwachters en de dienaren van politie voldoet aan de eischen , welke aan eene go^de uitvoering van de politiezorg mogen worden gesteld, en dat feitelijk het

1) Algemeen Politieblad 1852 bladz. 22.

2) Memorie van Beantwoording' op art. 101.

Sluiten