Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook kan tegen het geven van rijkspo'litie-bevoegdheid aan burgemeesters aangevoerd worden dat de meeste gemeenten te weinig uitgebreid zijn , om stof te leveren tot een vruchtbaar algemeen politietoezicht; voor de toepassing der plaatselijke verordeningen bestaat daartegen geen bezwaar maar de veiligheidspolitie wordt in den regel beter uit één hand over eene grootere uitgestrektheid dan die eener kleinere gemeente beheerd.

Niettegenstaande deze bezwaren meent de Oommissie, — r ; zij, overeenkomstig uwe opdracht, het stelsel der Gemeenteet te eerbiedigen en zich van het voorstellen van eene algemeene rijkspolitie te onthouden heeft—in overweging te moeten .even de burgemeesters in het rijkspolitieverband op te nemen.

Zij stelt daarbij op dm voorgrond dat, wanneer tot een meer aigemeene organisatie der rijkspolitie niet wordt overgegaan , het van belang is in elke .gemeeute, waar geen rijkspolitiegezag gevestigd is, toch een meer ontwikkeld man aan het hoofd te stellen , en dat in den regel de burgemeester daarvoor de meest aangewezen ambtenaar zijn zal, daar hij als hoofd van de gemeentelijke politie en als hulpofficier van justitie, alsmede wegens zijne bemoeiingen ingevolge art. 184 volgg. Gemeentewet, aan de politie niet vreemd en met het personeel bekend is.

Ook mag verwacht worden dat, wanneer de burgemeester in het verband der rijkspolitie zal zijn opgenomen , hij bij de dienstregelingen van de gemeenteveldwachters en dienaren van politie met de belangen der rijkspolitie zal rekening houden.

De praktijk leert bovendien dat, reeds thans, onderscheidene burgemeesters er geen bezwaar tegen maken zich met zaken van rijkspolitie te belasten.

Om deze redenen meent de Commissie te moeten voorstellen de burgemeesters in het rijkspolitie-verband op te'nemen , echter alleen in die gemeenten waar geen commissaris van politie en de burgemeester dus hulpofficier is. lu de overige gemeenten kan in de behoeften der rijkspolitie voldoende door hoofdcommissarissen en commissarissen van politie worden voorzien.

De Commissie meent voorts, dat de burgemeester, evenals de commissaris van politie , in plaatsen waar die is , bepaaldelijk als ambtenaar van rijkspolitie behoort te worden aangeduid en dat zulks, zoolang er geen politiewet is , kan geschieden in het besluit van 1851, hetwelk bestemd is de rijkspolitie over alle deelen des rijks op eenparigen voet te regelen.

De door een lid voorgestane meening dat c'e burgemeester niet als ambtenaar maar als verleqcnii'oordiger der rijkspolitie behoort te worden aangeduid, deelt de Commissie niet om dezelfde redenen , welke tegen die aanduiding van den commissaris van politie hebben gegolden (zie Rapport bladz. 55).

Sluiten