Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden worden, voor zooveel het belang der algemeene politie bij de toe passin g di er artikelen betrokken is, door den burgemeester uitgeoefend onder de hoofdleiding van het door Ons aangewezen gezag der algemeene politie, zoo dra dat gezag zich de zaak heeft aangetrokken.

Bedoeld gezag is daartoe verplicht zoodra de bewegingen in art. 184 bedoeld zich over meerdere gemeenten uitstrekken.

Het in de nieuwe bepaling bedoeld gezag zoude kunnen worden aangewezen in het besluit van 1851.

Naar de meening der Commissie zoude dat gezag niet moeten zyn de (nieuwe) directeur van rijkspolitie in het arrondissement maar een hooger gezag, en wel de procureur-generaal, hetgeen ook het voordeel zoude hebben dat zoowel met de belangen der preventieve als met die der repressieve politie rekening zoude worden gehouden.

Een tweede wijziging betreft de gevallen waarin de bevoegdheden van art. 184 volgg. worden verleend.

Meermalen is twijfel gerezen nopens de vraag of de burgemeester die bevoegdheden kan uitoefenen , bepaaldelijk krijgsvolk kan requireeren , ook wanneer de oproerige beweging enz. nog niet is uitgebroken, maar er nog slechts gevaar bestaat dat dit zal geschieden.

En hoewel nu, zoowel veelal in de praktijk als door sommige schrij vers 1), de laatste uitlegging is aangenomen en ook de aanschrijvingen van het Departement van Oorlog in dien zin luiden , zoo acht de Commissie — met het oog op de woorden van art. 184 — het toch veiliger allen twijfel buiten te sluiten en in het artikel uitdrukkelijk ook het gevaar voor oproerige beweging enz. op te nemen , hetgeen zoude kunnen geschieden , door den aanvang van het artikel te doen luiden, als volgt:

„Indien oproerige beweging, zamenscholing of andere stoornis der openbare orde is ontstaan of dreigt.

Wel schijnt de vrees niet denkbeeldig dat sommige burgemeesters , bijv, in gemeenten waar de gemeentepolitie te°wenschen overlaat, geneigd zullen zijn van de bepalingen te ras gebruik te maken en te voorbarig tot het vorderen van militairen over te gaan, doch die neiging zal kunnen worden tegengegaan, wanneer

1) Mr. Oppenheim bladz. 046.

Sluiten