Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Commissie formuleert hare meening als volgt:

„In elk arrondissement behoort in den regel een ambtenaar aan het hoofd van de rijksveldwacht te worden gesteld met de bevoegdheid van commissaris van rijkspolitie — hulpofficier van justitie.

üe Commissie meent voorts , met uitzondering van één lid, dat hot, zoowel voor de vorming van het personeel tot kundige beambten voor de preventieve en voor de gerechtelijke politie, tot beambten die eene goede opvatting hebben van hunne plif hten en rechten , alsook voor een goeden politiedienst wenschelijk is den Officier van Justitie, aan wien sedert 1893 zijn gezag over de rijksveldwacht grootendeels is ontnomen, weder meer gezag over die instelling te geven.

De Officier van Justitie toch heeft een groot ambtelijk belang bij eene goede werking der rijksveldwacht. Hij kent de leemten zoowel als de goede zijden van hare verrichtingen : hij weet waar zij te kort schiet in het voorkomen en het ontdekken van misdriiven ; hij weet waar meer, waar minder bewaking noodig is; hij is ook veelal het best in staat over de verdiensten van het personeel te oordeelen.

Gerustelijk mag hierbij worden aangenomen dat, wanneer de rijksveldwacht reeds zeer spoedig na hare oprichting in 1S56 een goed werkend, deskundig en betrouwbaar korps is geworden , geschikt ook om individueel zelfstandig , rechtmatig en met takt op te treden, en gewild en gewaardeerd is geworden by bevolking en rechterlijke macht, zulks voor een belangrijk deel te danken is aan den invloed van en de voortdurende aanraking met het parket, dat als het ware de leerstoel der rijksveldwacht heeft uitgemaakt en gezonde denkbeelden nopens de opvatting van het ambt bij het korps gekweekt heeft, waartoe ook de kantonrechters liet hunne hebben toegebracht.

Het lid der Commissie , dat zich niet geheel met die meenmg vereenigt, is van oordeel, dat het grooter gezag van de officieren van justitie ten deze leiden zal tot het in het leven roepen van een schakel meer in de hiërarchie, waaraan, vooral als het inspecteursambt zal hervormd zijn gelijk is voorgesteld , geen behoefte bestaat. De vroegere bemoeiingen van de officieren waren toen onmisbaar juist en vooral omdat de inspecteur«rang ontbrak.

De Commissie draagt in verband met het vorig punt als hare meening voor dat aan den officier van justitie meei

Sluiten